Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
Wadbodem, detail
Kloosterkapel Sibrandahûs
Westerstrand
Gezicht op Ulrum vanuit het Asingapark
Iepenbiere Skoalle
Zilverplevier
Steenlopers op kwelderrestant
Oude Bildtdijk
van Asperen Eendenkooi
Landschap met Kweldergras
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

Auteur: Gerben de Vries 

Het Friese Waddengebied is het kustgebied op de grens van de Noordzee en de Waddenzee. Het bestaat uit een reeks bewoonde eilanden (Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog), de binnenzee de Waddenzee en een onbewoond eiland in de Waddenzee (Griend). De bewoonde Waddeneilanden hebben drie duidelijk gescheiden zones: van noord naar zuid zijn dat het strand, het duingebied en de polders en kwelders. Alleen Vlieland heeft geen kleipolders. De eilanden hebben zandplaten aan de westzijde en duingebieden en kwelders aan de oostkant. Min of meer in de beschutting van de duinen liggen één (Vlieland en Schiermonnikoog) of meerdere (Terschelling en Ameland) nederzettingen. Voor de vier Friese Waddeneilanden is het toerisme van groot belang. Toeristen komen vooral voor de stranden en de ruimschoots aanwezige natuurgebieden. Het toerisme op de Waddeneilanden kenmerkt zich door kleinschalige voorzieningen als kleinere hotels en pensions, zomerhuisjes en kampeerterreinen.

Het Friese Waddengebied wordt in het noorden begrensd door de Noordzee. In het westen vormt de lijn van het Eierlandse Gat naar Breezand de grens en in het oosten de lijn Simonszand-Lauwersoog. De zuidgrens wordt gevormd door de Afsluitdijk. Deelgebied Waddengebied grenst aan de kust van Friesland aan deelgebieden Westergo, Het Bildt, Oostergo en Lauwersland.

Kenmerken en Bijzonderheden

  • Duinlandschap met binnenduinrand en duinontginningenVuurtoren van Ameland
  • Zoutwatergetijdenlandschap met kwelders, wadplaten en slikken
  • Jonge zeekleipolders en buitendijks land
  • Havennederzettingen: Vlieland, West-Terschelling, Schiermonnikoog
  • Streekdorpen: onder meer Midsland, Formerum en Hoorn op Terschelling  
  • Kwelderpolders
  • Terpen en stinswieren: op Terschelling
  • Boerderijen: kop-romp-type, met uitspringend zadeldak (schntsje) en soms met verhoogd schuurgedeelte (Terschelling)
  • Havens
  • Natuurgebieden: Bomenland, Vliehors, Kroon’s polder, ruige Plak (Vlieland), Noordvaarder, Dodemanskisten, Formerumerbos, diverse plakken, Boschplaat (Terschelling), Hollumerbosch, Ballumerduun, Het Oerd (Ameland), Wetserduinen, Kobbeduinen, Balg (Schiermonnikoog)
  • Eendenkooien: op alle eilanden
  • Militaire oefenterreinen: Vliehors (Vlieland)
  • Beschermde dorpsgezichten: Oost-Vlieland, Ballum, Hollum, Nes, Schiermonnikoog
  • Vuurtorens: op alle Waddeneilanden

Landschapsopbouw

Het Friese Waddengebied telt van west naar oost vier eilanden. Het was oorspronkelijk een oude strandwal, die later op verschillende plaatsen door stormvloeden werd doorbroken. De eilanden liggen als een soort beschermende gordel voor de Waddenzee en daarmee voor de Friese (en Groningse) kust. De Waddenzee is een binnenzee, bestaande uit zandplaten en slikken, prielen en geulen. In het dynamische proces van eb en vloed vallen deze tweemaal per etmaal droog. Aan de Friese kust ligt in de Waddenzee bij deelgebieden Het Bildt en Oostergo nog een serie door de mens gestuurde kwelders, die nu deels natuurterrein zijn. Tussen Harlingen en Terschelling ligt het onbewoonde eilandje Griend, eens deel uitmakend van een veel groter, bewoond eiland.

Door hun langgerekte vorm liggen op twee van de vier Waddeneilanden (Terschelling en Ameland) de nederzettingen voornamelijk in een lange rij. Zo is er op Terschelling bijvoorbeeld de bewoningsas West-Terschelling, Baaiduinen, Midsland, Formerum, Hoorn en Oosterend. Op Ameland geldt datzelfde voor de lijn Hollum, Ballum, Nes en Buren. Ook de wegen- en fietspadenstelsels op deze twee eilanden zijn oost-west gericht, met verbindingswegen noord- en zuidwaarts. Op Vlieland is de bewoning geconcentreerd in één oostelijke, op Schiermonnikoog in één westelijke nederzetting. Ten zuiden van de nederzettingen liggen vrij jonge polders, behalve op Vlieland, dat voor het overgrote deel uit duinformaties bestaat. Bij de andere drie eilanden is een aantal standaardzones te onderscheiden: buitendelta’s (zandplaten), stranden, duinen, binnenduinranden, nederzettingen, polders, dijken en buitendijkse kwelders. Een groot deel van deze gebieden is momenteel natuurgebied.   

De Waddenzee is door de getijdenwerking aan sterke verandering onderhevig. Dat ondervinden ook de veerboten die dagelijks vanuit Harlingen, Holwerd en Lauwersoog naar de eilanden varen. De eilanden zelf verschuiven langzaam oostwaarts, reden waarom de provincie Groningen wel eens (een stuk van) Schiermonnikoog geclaimd heeft. Naast het eilandje Griend is er nog een aantal grotere zandplaten met een min of meer stabiele ligging. Te noemen is onder meer de Richel bij Vlieland.

Indeling

Deelgebied Waddengebied behoort tot de gemeenten Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog.

Het gebied behoort sinds 2004 tot Wetterskip Fryslan.

In het Streekplan Fryslan 2007 (‘Om de kwaliteit fan de Romte) behoort deelgebied Waddengebied tot de Waddeneilanden.

Woonkernen

Vlieland: Oost-Vlieland
Terschelling: West-Terschelling, Midsland, Hoorn, Formerum, Lies, Oosterend, en de gehuchten Baaiduinen, Hee, Horp, Kaart, Kinnum, Landerum, Midsland aan Zee, Seerijp, West aan Zee.
Ameland: Hollum, Nes, Buren, Ballum.
Schiermonnikoog: Schiermonnikoog.
Terschelling

Landschapsgeschiedenis

Geologie

Ook deelgebied het Waddengebied werd gevormd door de ijstijden. In Noord-Nederland werden door het schurende ijs pakketten keileem en dekzand afgezet. Bij de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 tot 11.500 jaar geleden), bereikte het ijs het Waddengebied niet en lag de Noordzee grotendeels droog. Bij het begin van het volgende geologische tijdperk, het Holoceen, smolten de ijskappen en steeg de zeespiegel sterk. De Noordzee voerde klei en zand aan en in het Waddengebied ontstonden zandplaten of strandwallen. Aan de landzijde van deze strandwallen werden moerassen gevormd en hier ontwikkelde zich hoogveen. Dit proces werd versterkt toen 5000 jaar geleden de strandwallen zich sloten. Het huidige Waddengebied was 1000 jaar v.Chr. één groot veengebied.

Tussen 3500 en 750 voor het begin van de jaartelling lagen er in het noorden twee lange strandwallen. De westelijke strandwal liep van Alkmaar tot Vlieland, de noordelijke van Terschelling naar Ameland. Zij waren gescheiden door het Vlie, dat een verbinding vormde tussen het Almere of Flevomeer en de Noordzee. Tussen 1500 en 1000 v.Chr. werden de oude zandduinen op de strandwallen gevormd, ongeveer op de plaats waar nu de nederzettingen liggen. In de eeuwen daarna werd een deel van het achterliggende veen door de zee weggeslagen en vormden zich zandplaten en kwelders. Nog voor het begin van de jaartelling sloeg de Oer-Boorne een gat in de noordelijke strandwal, dwars door het huidige eiland Terschelling. Dit estuarium van de Boorne werd de latere Middelzee, die tot diep in het Friese binnenland reikte. Het Boorne-zeegat verschoof in de loop der tijd naar het oosten en zo kreeg Terschelling zijn huidige vorm.

Vroegste bewoning en Middeleeuwen

Hoewel er bewoningssporen van voor het begin van de jaartelling gevonden zijn, werd het Waddengebied pas sinds de 8ste eeuw n.Chr. permanent gekoloniseerd. Zo dateren de oudste nederzettingen op Terschelling uit die periode. Het oudste kerkdorp Suryp of Stryp dateert uit de 9e eeuw. Door de voortdurende werking van eb en vloed kreeg het Waddengebied in de Middeleeuwen zijn huidige vorm. Een hoogveengebied ten zuiden van Vlieland (de Waardgronden) werd ontwaterd en daarna door de zee weggeslagen. De hedendaagse Waddeneilanden ontstonden, maar waren nog lange tijd onderhevig aan veranderingen. Het eiland Terschelling was in de Middeleeuwen bijvoorbeeld maar 15 kilometer lang, tegen ruim 28 kilometer nu. In de Middeleeuwen lagen hier twee stinswieren met steenhuizen (stinzen) erop, bij Oosterend en Lies. West-Terschelling was al vroeg een vissersplaats, waar ook veel zeelieden woonden. De andere kerkdorpen (Stryp, Hoorn, Formerum en Oosterend) lagen op een strandwal en hadden een meer agrarisch karakter. Er lag halverwege tussen Harlingen en Terschelling nog een eiland, Griend, dat al in de 13e eeuw genoemd wordt en zelfs een kloosterschool bezat. In de volgende eeuwen liep de bevolking steeds verder terug en werd het een dagelijks overstroomde kwelder met verhoogde huissteden (hallig).  

Het meest westelijke Friese Waddeneiland, Vlieland, ontstond in zijn huidige vorm in de 13e eeuw. Eierland was daarvoor nog een deel van Vlieland, maar werd door het ontstaan van het 2 kilometer brede Eierlandse Gat een zelfstandig eiland. In deze periode sloeg de zee ook hele stukken hoogveen van het Waddengebied weg en kon de Zuiderzee ontstaan. Op Vlieland lagen toen nog twee dorpen, Oost-Vlieland en ‘Westeynde’. Het meest oostelijke eiland Schiermonnikoog was in de Middeleeuwen bezit van het klooster Klaarkamp bij Rinsumageest en kreeg zijn naam van de grijze of ‘schiere’ kledij van de monniken, die tot de cisterciënzer orde behoorden. Ameland werd al in de 8ste eeuw vermeld, want op Terschelling, Ameland en in Holwerd aan de Friese kust van Oostergo stonden de oudste Friese kerken. In de 9de eeuw werd op Ameland het klooster Foswerd gesticht. In de 15e eeuw werd Ameland bestuurlijk losgemaakt van het Friese district Ferwerderadeel en werd het een heerlijkheid van het graafschap Holland.

Nieuwe tijd (1500-1800)

In 1498 was met de verovering door Albrecht van Saksen de eeuwenlange periode van het heerloze ‘vrije Friesland’ voorbij. Friesland werd een centraal bestuurd gewest met Leeuwarden als hoofdstad. Het was in de 16e eeuw nog steeds een welvarend gewest. Op Terschelling beschermde begin 16e eeuw een gesloten zeedijk het gebied tussen Stryp en Wolmerum. Deze dijk eindigde ten oosten van Hoorn. De dijk werd in 1538 aangesloten op een dijk vanuit Oosterend, waarbij de oostelijke Grie onbedijkt bleef. Deze Oostergrie werd beschermd door duinen en ten oosten daarvan lag een grote strandvlakte van de Boschplaat tot het Amelander Gat.

Tijdens de beginjaren van de Opstand of de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) lag het Waddengebied enkele Vlielanddecennia in de frontlinie. Vooral in de beginjaren ondervond dit deelgebied problemen. Door zijn strategische ligging was Terschelling van 1569 tot 1576 een steunpunt van de opstandige watergeuzen. Nadat het oude vuurbaken een prooi der golven was geworden, werd in 1594 in opdracht van de Staten van Holland een nieuwe vuurtoren gebouwd. De 55 meter hoge Brandaris is de oudste nog bestaande vuurtoren van Nederland. Het hele eiland Terschelling werd in 1615 door dezelfde Staten aangekocht. In de Gouden Eeuw (17e eeuw) bevoeren duizenden schepen uit Amsterdam de wereldzeeën. Zij moesten langs Terschelling de Noordzee op geloodst worden. Later die eeuw was 70% van de Terschellinger beroepsbevolking werkzaam op zee. Ook op Vlieland, waar bij de ‘Vlieree’ ’s winters soms honderden schepen lagen, profiteerde men van de bedrijvigheid in de Gouden Eeuw. Dat de strategische ligging van de twee eilanden ook een nadeel kon hebben bleek in 1666. Tijdens de Tweede Engelse Oorlog staken de Britten het dorp West-Terschelling en een groot aantal schepen in brand. Op Vlieland maar vooral op Terschelling en Ameland zijn nog veel woningen, walvistanden en commandeurshuizen vanaf de tweede helft van de 17e eeuw aanwezig. Zij getuigen van deze bewogen periode.

De Tachtigjarig Oorlog betekende het einde van de bezittingen van klooster Klaarkamp op Schiermonnikoog. Deze vervielen aan het gewest Friesland, dat het eiland in 1638 verkocht aan particulieren. Tussen 1640 en 1859 was het bezit van de familie Stachouwer, die onder meer de regelmatige vorm van het dorp Schiermonnikoog bepaalde. Het was een ‘wandelend eiland’, dat zich in de afgelopen eeuwen 10 km naar het oosten verplaatste. Enkele voorlopers van het dorp Schiermonnikoog verdwenen in 18e eeuw in de golven. Datzelfde gebeurde in de jaren 1727-1736 met de nederzetting West-Vlieland, terwijl ook op Terschelling en Ameland buurschappen in de golven verdwenen. Op Terschelling gebeurde dat met de ten oosten van West-Terschelling gelegen buurschap Wolmerum. Daarom werd daar in 1739 een nieuwe dijk achter Dellewal gelegd, zodat verdere afslag werd voorkomen.

Door de maritieme activiteiten op de Waddeneilanden behoorden deze tot de dichtstbevolkte plattelandsgebieden van Nederland. Toch bleef er ruimte voor de landbouw. De boeren maakten optimaal gebruik van het landschap. De akkers en tuinen waren geconcentreerd op de zandrug waar ook de nederzettingen lagen. Op Ameland werd akkerbouw bedreven op essen, zoals bij Hollum en Ballum. De veeteelt vormde evenwel de kern van de landbouw in het Waddengebied. Tussen de nederzettingen en de duinen lagen de binnenduinranden. Deze moerassige mieden werden als hooiland gebruikt. De Terschellinger mieden werden door elzensingels omringd, zoals ten noorden van Hee nog te zien is. In de binnenduinrand waren ook gebiedjes waar het duinzand tot de grondwaterspiegel was weggewaaid. Hier lagen de vochtige ‘plakken’ (Terschelling), ‘valleien’ (Vlieland) of ‘gloppen’ (Schiermonnikoog). Het vee mocht grazen op de gemeenschappelijke zomerweiden of meenscharren. Vanuit de duinen liepen lange veedriften daar naar toe. Deze lage weidegronden werden nauwelijks beschermd door dijken en stonden ’s winters lange tijd onder water. Hier kon dan ook hooguit eenmaal per jaar gemaaid worden. Bij Terschelling en Ameland werd bovendien geweid op onbedijkte kwelders (Grie en Groede genaamd). Op Terschelling was na de oogst het recht van ‘Oerol’ van kracht: het vee mocht overal geweid worden, op gemaaide hooilanden, stoppelvelden en op de mieden. Hetzelfde gebruik heette op Ameland ‘vrijgang’. De boeren van het Waddengebied hadden naast hun hoofdberoep vaak een ‘tweede tak’. Dat kon variëren van strandjutterij, visserij of een vorm van middenstand tot een tijdelijke betrekking bij de koopvaardij. Speciale vermelding verdient nog de aanwezigheid van eendenkooien op alle vier de Friese Waddeneilanden. 

Nieuwe Tijd (1800-1950)

Na de Bataafs-Franse Tijd (1795-1813) werd ook het Waddengebied opgenomen in het nieuwe Koninkrijk der Verenigde Nederlanden. Hoewel zij vrijwel alleen bereikbaar waren via de Friese haven Harlingen, werden Vlieland en Terschelling vanwege hun verleden bij de provincie Noord-Holland gevoegd. Ameland en Schiermonnikoog kwamen bij de provincie Friesland en waren bereikbaar via Holwerd en Oostmahorn. In strenge winters, zoals die van 1838, trokken tientallen Friezen met sleden van Holwerd naar Ameland over het ijs. Lange tijd was het eiland bezit geweest van de Cammingha’s, maar die verkochten het in de 18e eeuw aan de Friese stadhouder. Begin 19e eeuw werd een speciale regeling getroffen met het Huis van Oranje en zo is koningin Beatrix nog altijd Erfvrouwe van Ameland. Nederland was een koninkrijk waar langzaam maar zeker door middel van uitbreiding van het kiesrecht meer democratie ontstond. Zo markeerde de grondwetswijziging van 1848 de ontwikkeling naar het algemeen kiesrecht, dat overigens pas zeventig jaar later voor alle volwassen mannen en vrouwen zou worden ingevoerd. In 1848 veranderden de oude grietenijen (plattelandsdistricten) in gemeenten. Door provinciale en gemeentelijke subsidies werden ook op de Waddeneilanden vanaf midden 19e eeuw betere verbindingswegen tussen de vaak nogal geïsoleerde nederzettingen gerealiseerd.

De eilanden zelf waren vanwege hun ligging op maximaal 20 kilometer afstand van de vaste wal natuurlijk ook geïsoleerd. Anders dan in Friesland was de landbouw in het Waddengebied niet afgestemd op de nationale en internationale markt. De landbouw op de eilanden was daarom autarkisch (zelfvoorzienend), waarbij de boeren door de beoefening van nevenfuncties geld probeerden te verdienen. Na het midden van de 19e eeuw kon dat op Terschelling en Vlieland in het najaar ook het oogsten van cranberries zijn, die daar na 1840 na een schipbreuk in de ‘plakken’ groeiden, onder meer in het Studentenplak. Op Terschelling werd het areaal ‘groenland’ vergroot, nadat in 1858 eindelijk een deugdelijke dijk werd gelegd en de Stryper Polder of Polder Het Nieuwland een feit was. Op Ameland werd in 1915 de Grie bedijkt. Op Terschelling volgde in de jaren 1920 de Kroonpolder bij West-Terschelling. Naar dezelfde ingenieur J.W. Kroon is in het westen van Vlieland Kroon's Polder vernoemd. Deze polders gaven de landbouw letterlijk meer ruimte. Op Terschelling gingen na 1870 veel mannen een deel van het jaar op Duitse haringloggers werken. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren dat er niet minder dan 1000. In deze periode werd ook de zeevaartschool ‘Willem Barentsz’ opgericht.  

Friesland werd tussen 1878 en 1895 geteisterd door een landbouwcrisis zonder weerga. De concurrentie van goedkoop graan uit Amerika en Rusland had een negatief effect op de akkerbouw in het noorden van de provincie. Ook de traditionele zeer omvangrijke export van boter naar Groot-Brittannië en andere landen stagneerde, vooral omdat er op grote schaal geknoeid werd met de kwaliteit van de zuivelproducten. Het Friese Waddengebied was op landbouwtechnisch gebied in deze periode nog vrijwel zelfvoorzienend, zodat het nauwelijks door de crisis werd getroffen. Midden in deze periode, in 1871-1872, werd een dam naar Ameland aangelegd. Deze diende niet alleen om het eiland te ontsluiten, maar vooral voor landaanwinning door aanslibbing. Het was geen succes en na de stormen van 1882 verdween de dam in de golven. Een meer geslaagde poging om werkgelegenheid te creëren was het bouwen van badhotels voor welgestelde toeristen. Schiermonnikoog en Ameland begonnen hier in respectievelijk 1885 en 1887 mee. Ietwat grootschaliger toerisme zou echter pas in de jaren twintig van de 20ste eeuw van start gaan.

In deze jaren veranderde het uiterlijk van de Waddeneilanden sterk. Tot diep in de 19e eeuw waren er nauwelijks bomen te vinden, op wat elzensingels, kooibosjes en lokaal hakhout na. Eind 19e eeuw kwam daar verandering in. Op Ameland werd in 1889 begonnen met de aanleg van het Nesserbosch, zowel voor houtproductie als om verstuiving tegen te gaan. In 1892 kwam Schiermonnikoog in handen van de Duitse graaf Von Bernstorff. Hij liet onmiddellijk bossen aanleggen ten noordoosten van het dorp. Het jaar daarop werd bebossing een rijkstaak, die verdeeld werd tussen Rijkswaterstaat en de nieuw opgerichte organisatie Staatsbosbeheer. Rijkswaterstaat begon in 1902 met de bebossing van Vlieland (Bomenland), in het westen van het eiland. Bebossing werd al snel een taak voor Staatsbosbeheer. De duinen van Vlieland en Terschelling kwamen in 1910 in handen van het Rijk en Staatsbosbeheer legde de volgende decennia betrekkelijk uitgebreide bossen aan op deze eilanden.

De crisis in de veehouderij, vooral in de boterbereiding, werd uiteindelijk met succes bestreden. In 1879 werd het Friesch Rundveestamboek opgericht, om de kwaliteit van de veestapel te verbeteren. Enkele jaren later volgde vanuit Warga de opmars van de coöperatieve zuivelfabrieken, die een betere kwaliteit boter leverden dan die van de boerderij zelf. Ook de nog steeds betrekkelijk afgelegen Waddeneilanden kregen hun ‘melkfabrieken’.
In het Waddengebied verrezen op Terschelling (Formerum, Lies, Hoorn), Ameland (Nes, Hollum, Ballum, Buren) en Schiermonnikoog (het gelijknamige dorp) zuivelfabrieken, op één na alle coöperaties. Het was de triomf van de coöperatieve gedachte, waarbij niet alleen gezamenlijk kunstmest en zaaigoed werd aangekocht, maar ook allerlei coöperatieve verenigingen werden opgericht. Slotstuk was de bouw van coöperatieve boerenleenbanken in de grotere dorpen aan het begin van de 20ste eeuw, onder meer op Ameland en Terschelling. Pas met het uitbreken van de crisis van de jaren 1930 kreeg de agrarische stand opnieuw zware klappen te verwerken, maar dat gold voor vrijwel de gehele samenleving. In 1942 deelde de Duitse bezetter de eilanden Vlieland en Terschelling bij de provincie Friesland in, een situatie die na de bevrijding gehandhaafd werd.

Actuele vraagstukken

Ruilverkavelingen (Ameland)

Ruilverkaveling betekent het opnieuw verdelen van kavels/percelen onder de eigenaren, met als doel de grondeigenaar zoveel mogelijk aaneengesloten grondbezit te geven. Na de Tweede Wereldoorlog werd van overheidswege schaalvergroting in de landbouw nagestreefd, onder meer om de nationale voedselvoorziening veilig te stellen. Ruilverkaveling was daarvoor een nuttig instrument. Door het ruilen van kavels, het vergroten van de percelen, de verbetering van de afwatering en de aanleg van wegen in het buitengebied kon de landbouw veel efficiënter produceren. De rijks- en provinciale overheden gaven over het algemeen dan ook snel toestemming voor een ruilverkaveling. Het duurde meestal wel enkele jaren voordat de meerderheid van de betrokken agrariërs ook met de ruilverkavelingsplannen instemde. 

De eerste ruilverkavelingswet dateert van 1924. Daarvoor had evenwel al op Ameland de eerste vrijwillige ruilverkaveling van Nederland plaatsgevonden. In 1913 stemden de 119 eigenaren van een complex hooilanden van 170 ha. Deze Ballumer Mieden waren verdeeld in 3659 perceeltjes en er was een boer die 12 ha grond bezat, verdeeld over 269 stukjes land. In 1916 werd begonnen met de kavelvergroting, die leidde tot 219 percelen. Gemiddeld waren ze daarmee nog niet 1 ha groot. Een paar jaar daarvoor, in 1915, was hier overigens de eerste echte zeedijk bij het Wad aangelegd. Ook op andere mieden van het eiland was er sprake van sterke versnippering. Daarom werd in 1924 ook in de Hollumer Mieden een ruilverkaveling doorgevoerd. De 4895 percelen – die samen 335 ha besloegen – werden teruggebracht tot 501 kavels. Hierbij werden ook boerderijen verplaatst van de dorpskommen naar het buitengebied, in de Ballumer en Hollumer Mieden in totaal vijftien. In het oostelijke deel van het eiland waren de percelen minder versnipperd. Ten zuiden van Nes en Buren werden in de jaren 1950 toch nog 1620 percelen over een oppervlakte van 562 ha teruggebracht tot 506 percelen. Bij al deze ruilverkavelingen werden wegen aangelegd, zodat de ontsluiting van de mieden sterk verbeterd werd. De kavels waren echter nog steeds klein en daarom werd in 1995 de ruilverkaveling ‘Ameland’ door de betrokken agrariërs goedgekeurd. Vrijwel het gehele landinrichtingsgebied was toen al aangewezen als beheersgebied, waarbij de boeren dus ook rekening dienen te houden met natuur en landschap. De ruim 1800 ha werden begin 21ste eeuw herverdeeld in 806 percelen.

Polder van Ameland
Ook op Terschelling vond een relatief vroege ruilverkaveling plaats.
Hier was niet alleen de versnippering van de percelen een probleem. Na dijkdoorbraken in het verleden waren hier veel wielen of kolken achtergebleven. Ook was de afwatering problematisch en kon er alleen bij laag water geloosd worden. Bij Stryp stonden vaak grote delen van de polder onder water en ten zuiden van Hoorn was de polder zelfs moerassig. Bij de naoorlogse ruilverkaveling werden deze problemen opgelost. In 1947 werden ook de percelen vergroot en de landerijen door middel van wegen beter bereikbaar gemaakt. Het Ponswiel bij Kinnum en het Formerumerwiel bleven vanwege hun historische waarde bestaan. Met een kleine ruilverkaveling eind jaren tachtig van de 20ste eeuw werd de waterbeheersing sterk verbeterd, onder meer door een lager polderpeil in te stellen.



Werelderfgoed Waddenzee

Na de grote watersnoodramp van 1825, die grote delen van Noord-Nederland trof, werden er plannen gesmeed om hier voorgoed een einde aan te maken. Midden 19e eeuw kwamen sommigen zelfs met het idee van inpoldering van de gehele Waddenzee en Zuiderzee. Mede omdat dit grote problemen met de afwatering van het achterland met zich mee zou brengen, werden deze plannen niet verder ontwikkeld. Wel werd er in 1872 een 8,7 km lange dam van Holwerd naar Ameland aangelegd, maar deze werd na tien jaar aan zijn lot overgelaten. Na de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 werden grote delen van de Zuiderzee, sindsdien het IJsselmeer geheten, ingedijkt en ontstonden de Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland en Westelijk Flevoland. In 1967 werd de Markerwaarddijk naar Enkhuizen gelegd, maar de Markerwaard zou er uiteindelijk niet komen.

Na de Stormramp van 1953, die vooral Zeeland trof, werden opnieuw plannen ontwikkeld voor een betere kustverdediging tegen de golven van de Noordzee. Begin jaren zestig van de 20ste eeuw was er wederom sprake van een dam naar Ameland, zelfs van twee dammen. Het zou de opmaat worden voor de inpoldering van de gehele Waddenzee. Dit plan werd verdedigd met het excuus dat het Waddengebied dan een enorme toeristische impuls zou krijgen. De Friese Staten stemden zelfs met grote meerderheid voor dit plan. Als reactie daarop werd de Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee opgericht, later meer bekend onder de naam Waddenvereniging. Deze vereniging wees in de beginjaren het grote publiek op de talrijke bedreigingen voor het Waddengebied. De dijk naar Ameland was er maar één van. Er werd overal naar gas en olie in de Waddenzee geboord. Er was sprake van overbevissing. De industrie kon haar afvalwater vrijelijk lozen in de zee. De Koninklijke Luchtmacht hield schiet- en bombardementsoefeningen op Vlieland en Terschelling. De Noorderleeg, de Lauwerszee en de Dollard zouden worden ingepolderd. Uiteindelijk zou alleen de Lauwerszee ingedijkt worden, in 1969, maar dat was eigenlijk vooral omdat de inpolderingsprocedures al veel eerder gestart waren.

In deze jaren was ook een ‘studiecommissie gehele of gedeeltelijke indijking Waddenzee’ actief. Deze Waddenzeecommissie onder voorzitterschap van J.P. Mazure kwam in 1974 – mede vanwege de door de Waddenvereniging geïnitieerde landelijke discussie - met een negatief rapport. Er was geen behoefte (meer) aan grond voor landbouw of industrie en de indijkingskosten zouden veel te hoog zijn om ooit rendabel te worden. Bovendien had de Waddenzee grote waarde voor de visvangst, de recreatie en was zij van groot belang als natuurgebied. Het was een uniek landschap, een rust- en kraamgebied voor grote aantallen vogels en het was het enige gebied waar de bedreigde zeehond nog in ‘redelijke aantallen’ voorkwam. De waardering voor de Waddenzee was nog wat zuinig, maar in ieder geval werd haar grote landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde onderkend. In de jaren daarna werd het belang van natuur en milieu in Nederland steeds breder gedragen. In 1980 werd de Planologische Kernbeslissing Waddenzee genomen. Voortaan zou dit gebied behouden en waar nodig hersteld worden als natuurgebied. 

Toch duurde het nog lange tijd voordat de Waddenzee een beschermde status kreeg. In 1998 gingen Nederland en Duitsland hierover in gesprek. De Raad voor Cultuurbeleid wilde de Friese Waddenzee tot werelderfgoed verklaren, maar dan vanwege de talloze goed geconserveerde scheepswrakken die op de bodem lagen. Eilandbewoners, vooral de Terschellingers, waren in 2001 niet voor aanwijzing tot werelderfgoed, omdat zij bang waren voor te veel beperkende maatregelen. Op dat moment was wel duidelijk dat als de UNESCO het Waddengebied tot werelderfgoed verklaarde, dit vanwege de unieke natuurwaarden zou zijn. Er leek evenwel te weinig draagvlak voor te bestaan en dat was een voorwaarde voor aanwijzing. Langzaam maar zeker veranderde de stemming en in maart 2005 tekenden alle vijf Waddeneilanden een convenant met het ministerie van Economische Zaken. Op een in november 2005 gehouden Waddenconferentie op Schiermonnikoog besloten Nederland en Duitsland zich aan te melden voor de lijst van werelderfgoed. Denemarken deed vooralsnog niet mee, maar kon later aansluiten. Het Waddenzeegebied werd op 26 juni 2009 door de UNESCO officieel tot werelderfgoed verklaard.

Thema's

Nationaal Park Schiermonnikoog

Nadat er in de jaren dertig van de 20ste eeuw al twee nationale parken op de Veluwe waren ontstaan, begon het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in 1980 met de aanwijzing van nationale parken-nieuwe stijl. Nationale Parken moesten aaneengesloten gebieden zijn van tenminste 1.000 hectare, bestaande uit natuurterreinen met een bijzondere landschappelijke gesteldheid en een bijzonder planten- en dierenleven, waar tevens goede mogelijkheden aanwezig zijn voor recreatief medegebruik. Grondeigenaren, ondernemers, bestuurlijke instanties en natuurorganisaties moesten eerst op één lijn komen door het aanvaarden van een beheersplan. Van meet af aan was het 16 kilometer lange en 4 kilometer brede Schiermonnikoog in beeld als nationaal park. Het eiland had maar één dorp en de oostkant bestond uit duinen en zandplaten. De eilanders waren in 1985 erg kritisch over het ontwerp beheers- en inrichtingsplan (BIP). Zij waren bang dat de recreatie en de landbouw te weinig gewicht zouden krijgen, al was toen wel duidelijk dat het dorp Schiermonnikoog en de grote Banckspolder buiten het nationaal park zouden blijven. Ook de afsluiting van de kwelders voor vee van de agrariërs schoot velen in het verkeerde keelsgat. Gezamenlijk werd twee jaar later een nieuwe BIP vastgesteld, waar ook ruimte was voor kleinschalige activiteiten van eilanders als jutten, vissen, pieren steken en bramen zoeken. In 1988 ging ook de gemeenteraad akkoord met de plannen. 

In juli 1989 kreeg 5400 hectare op Schiermonnikoog van minister Gerrit Braks van LNV de officiële status van nationaal park. In Nederland zouden er in totaal twintig nationale parken komen en Schiermonnikoog was het eerste. Delen van Terschelling en Vlieland werden uiteindelijk geen nationaal park. Het gebied was eerst 40 jaar in beheer geweest bij de Dienst Domeinen en sinds 1987 van Staatsbosbeheer. Nu ging het over naar de vereniging van Natuurmonumenten. De rijksoverheid stelde jaarlijks 400.000 gulden ter beschikking. Er kwam een bezoekerscentrum, zoals gebruikelijk zou worden bij nationale parken. Rijkswaterstaat begon hier in 1990 op advies van onder meer de Waddenvereniging de noordelijke stuifdijk tussen paal 10 en 11 voor een deel te verwijderen, om de duinen letterlijk en figuurlijk wat meer in beweging te krijgen. Het strand van Schiermonnikoog was breed en de stuifdijk had geen zeewerende functie. Wel staat soms het lage deel van de oostkant helemaal onder water. Wind en zee hebben nagenoeg vrij spel. In 1991 werd van start gegaan met een begrazingsproject van de duinvalleien door het jongvee van de boeren. Momenteel loopt dit stuk tot de derde slenk bij Kobbeduinen en omvat het in totaal 450 hectare. Schiermonnikoog is het nationaal park van Nederland met de hoogste natuurwaarden. Aan de wadkant laten de eilander boeren nog steeds hun koeien grazen op de kwelders. In het nieuwe BIP van 2011 is het uitgangspunt zoveel mogelijk ruimte te geven aan natuurlijke processen. Er wordt gedacht aan een nieuw washover-complex tussen strandpaal 7 en 10, zodat de achterliggende strandvlakte op natuurlijke wijze wordt verjongd en verhoogd.  

Festivals (Oerol en The Great Wide Open)

De Waddeneilanden Terschelling en Vlieland zijn decor en podium tegelijk geworden van twee opmerkelijke festivals. Terschelling was er al vroeg bij. Joop Mulder, eigenaar van café De Stoep in Midsland, organiseerde in jaren zeventig al muziek- en culturele avonden. In de winter van 1981 besloot hij samen met enkele anderen een tiendaags theaterfestival te organiseren, naar analogie van het Amsterdamse Festival of Fools (1975-1984). In de zomer van 1982 vond het eerste Oerolfestival plaats. Het was vernoemd naar het gebruik het vee in het vroege voorjaar en vooral de late herfst ‘oerol’ oftewel overal op het eiland te laten grazen, ook buiten de eigen gronden. Op enkele plekken was locatietheater te zien, overal speelden muziekbandjes, terwijl in West-Terschelling en Midsland straattheater te zien was. Er kwamen een paar duizend mensen voor Oerol naar Terschelling.

Gaandeweg werd het locatietheater het fundament van het jaarlijks in de vroege zomer terugkerende Oerolfestival. Grote namen als Shusaku and Dormu Dance Theatre, de Dogtroep en Derevo speelden bijzondere voorstellingen op bijzondere, vaak natuurlijke locaties zoals de duinen, het strand, de polder, maar ook in boerenschuren. Al snel liep het bezoekersaantal in de tienduizenden. Er kwamen grootschalige concerten op het Groene Strand bij West-Terschelling en er werd een speciaal festivalterrein bedacht: Westerkeyn bij Midsland. Wel werd het steeds moeilijker zonder structurele subsidie alle theatergroepen, muzikanten, beeldende kunstenaars en andere podiumartiesten te betalen. Ook de Terschellinger ondernemingen hadden aanvankelijk weinig vertrouwen in het festival en gaven nauwelijks financiële steun. In 1993 maakte Mulder bekend dat vanwege mislukte onderhandelingen met het ministerie van WVC en het provinciebestuur van Friesland het dat jaar de laatste keer was dat het festival plaats zou vinden. Ook in 2004 dreigde het festival te verdwijnen, maar even later werd bekend gemaakt dat er fundamentele subsidiestromen naar Terschelling gingen. In de laatste jaren is het bezoekersaantal gegroeid naar gemiddeld 50.000 per festival.

Mede geïnspireerd door het succes van Oerol werd op Vlieland in 2009 van start gegaan met het popfestival Into the Great Wide Open, vernoemd naar een CD van Tom Petty. Het is een driedaags festival begin september. Een van de organisatoren was het Utrechtse platenlabel Excelsior, in samenwerking met camping Stortemelk. Deze camping werd het epicentrum van het festival, dat vooral mikte op oudere jongeren met kinderen. Hoewel aanvankelijk gerekend werd op enkele duizenden bezoekers, was het eerste festival met 4000 verkochte kaartjes al in augustus volgeboekt. Ook bij dit festival was er naast de muziek aandacht voor beeldende kunst, film en natuur. Er werden kunstroutes uitgezet en ook op andere plekken van het eiland waren er podia. Net als bij Oerol was de kern van het festival de interactie van een bepaalde kunstvorm met de locatie, of dat nu het podium van camping Stortemelk, het bospodium, de tuin van de Nicolaaskerk in het dorp of een plek in de natuur is. Ook de volgende jaren was Into the Great Wide Open onmiddellijk uitverkocht.

Literatuur

J. Abrahamse, Wadden: verhalend landschap: cultuurhistorische reis langs de waddenkust van Denemarken, Duitsland en Nederland. Baarn, 2005.

E. Bakker, Schiermonnikoog, een wandeling door het oude dorp. Schiermonnikoog, 2006.

G.H. Bakker, Ontstaan en groei van de recreatie op Ameland: VVV 1948-2002. Nes, 2003.

J.A. Blaak, Ameland historisch geschetst. Groningen, 1982.

J.A. Blaak, Het reddingwezen op Ameland: 1824-2005. Hollum, 2005.

J.A. Blaak, Ameland, veranderd gezicht 1900-2010. Appingedam 2011.

J.H. Bleeker, Ameland te kaart: een verzameling historische kaarten van het eiland Ameland. Son en Breugel, 2011.

W.J.J. Boot, Schepen, schelpen, schuitengat: de scheepvaart om Terschelling en Vlieland, van ‘Adsistent’ tot ‘Koegelwieck’. Franeker, 1998. 

P. Burbridge et al., Waddenzee werelderfgoed. Utrecht, 2012.

Cultuurhistorische Vereniging ’t Heer en Feer, Bosch – op zoek naar een verdwenen eiland en zijn geschiedenis. Schiermonnikoog, 2007.

K. van Dam, Terschelling, een landschapsverkenning te voet. Groningen, 2000.

W. Dijk, In haunfol saun: Schiermonnikoog: bijzonder eiland, bijzondere mensen. Amsterdam, 2007.

A. Doedens, Vlieland: een Nederlandse geschiedenis. Franeker, 2010.

Y.M. Donkersloot-de Vrij, ‘Scellinge’: vijf eeuwen kartografie van Terschelling. Utrecht, 2002.

J. Goosens, 20 jaar Oerol. Terschelling voor Vogels. Terschelling, 2001.

R. Gorter, Boeren in beeld: portret van agrarisch Terschelling. Harlingen, 2008.

G.W. Hazeu, Een eiland in beweging: veranderingen in het Terschellinger landschap over anderhalve eeuw aan de hand van oude topografische kaarten en luchtfoto's. Wageningen, 2002.

H. Hoekstra, Een eeuw badgasten: beeld van 100 jaar toerisme op Terschelling. Terschelling, 2009.

J. Holwerda en A.J. Maris, Boeren op Schiermonnikoog door de eeuwen heen. Schiermonnikoog, 2005.

J. Holwerda en A.J. Maris, Schiermonnikoog in beeld: 1950 - 1980: een tocht door het dorp en het buitengebied. Zaltbommel, 2006.

J.P.C.M. van Hoof, Tanksporen op de Hors: de geschiedenis van het Cavalerie Schietkamp op Vlieland. Franeker, 2007.

J. Houter, 100 jaar gastvrij Vlieland. Harlingen, 2006.

J. Houter, Boswachterij ‘Vlieland’ 1908-2008, wetenswaardigheden. Harlingen, 2008.

B. Huiskes, Vlieland. Drachten, 2000.

J. de Jong, Boeren op Ameland: gansch omspoeld door zilte baren. Hollum, 2011.

A.H.A.G. Kok, Aastermiede en Wachthuusplak: veldnamen op Terschelling in duinen en polder. Assen, 2007.

A.H.A.G. Kok, Terschelling: boerderijbouw, historie en ontwikkeling. Assen, 1995.

J. de Kruyf en R. Tienkamp, Ameland….ander land. Leeuwarden, 2008.

J. de Kruyf en R. Tienkamp, Terschelling ….ander land. Leeuwarden, 2009.

J. de Kruyf en R. Tienkamp, Vlieland….ander land. Leeuwarden, 2010.

J. de Kruyf en R. Tienkamp, Schiermonnikoog….ander land. Leeuwarden, 2010.

N. Kruys-Harkema, Vleiland duinhuisjes: on(t)roerend goed. Harlingen, 2012.

A. Kuhlmann, Ameland beelden van een veranderend landschap. Buren, 2007.

P. Lautenbach, Eendenkooien: de laatste heiligdommen van Terschelling. Terschelling, 2010.

C.C. de Leeuw et al., Ecologische effecten van duinboog- en washoverherstel: een verdiepende ecologische studie naar de mogelijke effecten van duinboog- en washoverontwikkeling op de Waddeneilanden Vlieland, Terschelling en Schiermonnikoog. Groningen, 2008.

P. van Leunen, Terschelling en de visserij. Harlingen, 1998.

E. van Mansvelt, Doeksens zeemansboek: het leukste monsterboekje van het wad: op vakantie naar Vlieland en Terschelling. Harlingen, 2008.

A.A.M. van Marrewijk, Waddenland: het landschap en cultureel erfgoed in de Waddenzeeregio. Leeuwarden, 2001.

D.Th. Reitsma, Van postschip tot veerboot: de verbindingen met Ameland en Schiermonnikoog. Hallum, 1985.

D.Th. Reitsma, 100 jaar VVV Schiermonnikoog, 1899-1999: van bedstede tot appartement. Schiermonnikoog, 1999.

D.Th. Reitsma, Schiermonnikoog, een wandelend eiland. Schiermonnikoog, 2004.

H. Schoorl, De convexe kustboog: Texel, Vlieland, Terschelling: bijdragen tot de kennis van het westelijk Waddengebied en de eilanden Texel, Vlieland en Terschelling; Dl. 3: De convexe kustboog en het eiland Vlieland. Schoorl, 2000.

H. Schoorl, De convexe kustboog: Texel, Vlieland, Terschelling: bijdragen tot de kennis van het westelijk Waddengebied en de eilanden Texel, Vlieland en Terschelling; Dl. 3: De convexe kustboog en het eiland Terschelling. Schoorlo, 2000.

Stichting Quadrant Schiermonnikoog, De verborgen schatten van Schiermonnikoog Schiermonnikoog, 2010.

H.K. Stolk, ‘Zeebad Vlieland’, het begin van het toerisme op Vlieland. Benningbroek, 2005.

O. Straatsma, Een en al boerderij op Ameland. Ballum, 2010.

H. Tameling, Geluksvogel: het eilandgevoel van Terschelling. Schalsum, 2012.

F.A.J. van der Ven, Een omstreden eiland: de eigendom van het eiland Schiermonnikoog in geding. Groningen, 1993.

G. Visser, Hessel, muziek, kroeg(leven) en Terschelling. Hoorn, 2012.

J. van der Wal, ‘We vieren het pas als iedereen terug is’. Terschelling en de Tweede Wereldoorlog. Franeker, 2007.

A.J. Zwaal, Terschellinger historie. Terschelling, 1989.

F. Zwart, Natuurlijk Ameland. Ameland, 2006.

G.J. Zwier, Mijn Wadden. Amsterdam, 2004.

T. Zwijgers, Het Waddengevoel: Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog. Houten, 2012.

Organisaties en Links

www.vlieland.nl

 www.vlieland.info

 www.terschelling.nl

 www.ameland.nl

 www.schiermonnikoog.nl

 www.nationaalpark.nl/schiermonnikoog

 www.westterschelling.nl

 www.midsland.nl

 www.terschellingoosterend.nl

 www.hollum.eu

 www.hollum.info

 www.ballum.info

 www.dorpsbelangburen.nl

 www.dorpsbelang,nes

 www.chv-vlieland.nl (cultuurhistorische vereniging Eylandt Flielandt)

 www.schylgemynlantse.nl (cultuurhistorische vereniging Terschelling)

 www.amelandermusea.nl (ook adres cultuurhistorische vereniging De Ouwe Plle)

 www.theerenfeer.nl (cultuurhistorische vereniging Schiermonnikoog)

 www.waddenweb.nl

 www.waddenacademie.nl

 www.waddenzee.nl

 www.waddenvereniging.nl

 www.verdronkengeschiedenis.nl

www.wadwijzer.nl