Notice: Trying to get property of non-object in /home/landschap/domains/landschapsgeschiedenis.nl/public_html/deelgebieden.php on line 38
Landschaps Geschiedenis

Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
Sleen, Diphoorn
Oosterhesselen, Burgemeester de Kockstraat
Valthermond, Zuiderdiep
Elp, Zwiggelterweg
Valthermond
Gees, detail van schuur
Zweelo, boerderij met losse schuur
IJzertijd boerderij Orvelte
Weiteveen, RK begraafplaats
Geesbrug, Kanaalweg
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

Auteur: Gerben de Vries 

Zuidenveld is een oud gebied in Zuidoost-Drenthe. Het was in de Middeleeuwen het grootste dingspil van Drenthe. Het grootste deel van het gebied werd evenwel in beslag genomen door heidevelden zoals het Ellertsveld en de venen in het zuiden en zuidoosten. Het centrale deel wordt ingenomen door het Drents Plateau, terwijl in het oosten de Hondsrug vanaf Emmen via Odoorn en Exloo naar het noorden loopt. In het uiterste zuidoosten liggen de randveenontginningen van Schoonebeek. Coevorden op de grens met de provincie Overijssel is vanouds de ‘poort van de Landtschap Drenth’. Behalve de stad Emmen is het grootste deel van het deelgebied een esdorpenlandschap, met in het zuiden ontginningsdorpen en in het noorden ten westen van de Hondsrug enkele Veenkoloniale nederzettingen.


Zuidenveld wordt doorsneden door diverse grotere wegen, zoals N34 vanaf het noorden langs Emmen naar Coevorden. Van Rolde over Schoonoord en Sleen loopt de parallelle N376 naar Nieuw-Amsterdam. Tussen Beilen en Emmen ligt in oost-westelijke richting de N381 en een stukje naar het zuiden de parallelle de N37 tussen Hoogeveen en Nieuw-Amsterdam. In het zuiden gaat de N377 via de Overijsselse plaatsen Dedemsvaart en De Krim naar Coevorden. Van Coevorden loopt de N863 naar Schoonebeek en Nieuw-Schoonebeek naar de grens met Duitsland. Voorts is er een (goederen)spoorweg tussen Zwolle over Coevorden naar Emmen.

Ook diverse kanalen gaan door Zuidenveld, zoals het Oranjekanaal van Beilen naar Emmen, de Verlengde Hoogeveensche Vaart van Hoogeveen naar Emmen en verder naar de grens. Bovendien zijn er nog het Stieltjeskanaal van Nieuw-Amsterdam naar Coevorden. Vooral in het westelijke en zuidelijke deel zijn er nog veel beekjes en diepjes. Bij Coevorden komen het Drostendiep, Loodiep en Schoonebeekerdiep samen. In het westen liggen de Geeserstroom/Marsstroom en langs Oosterhesselen en Aalden de Westerstroom/Aelderstroom.

Zuidenveld wordt in het noorden begrensd door de deelgebieden Rolderdingspil en Oostermoer en in het oosten door de Jonge Veenkolonien. Ten zuiden ligt de provincie Overijssel en in het westen de deelgebieden Hoogeveen en Beilerdingspil.

Kenmerken en Bijzonderheden

  • Stedelijk landschap (Emmen, Coevorden)
  • Esdorpenlandschap (onder andere bij Meppen, Aalden, Zweeloo, Gees, Oosterhesselen, Sleen, Erm, Dalen)
  • Veenontginnningslandschap (onder andere bij Dalerpeel en Dalerveen, Stieltjeskanaal, Steenwijksmoer, Schoonoord, Odoornerveen en ’t Haantje)
  • Esdorpen met brink (Dalen, Dalerveen, Wachtum, Emmen, Noordbarge, Westenesch, Zuidbarge, Exloo, Odoorn, Valthe, Gees, Oosterhesselen, Zwinderen, Erm, Den Hool, Noord-Sleen, Sleen, Aalden, Benneveld, Meppen, Wezup, Zweeloo)
  • Veenkoloniale dorpen (Dalerpeel, Dalerveen, Steenwijksmoer, Odoornerveen en ’t Haantje)
  • Hallehuis- of Saksische boerderijen
  • Diepjes: Drostendiep, Nieuwe Drostendiep, Loodiep, Schoonebeekerdiep, Geeserstroom/Marsstroom, Westerstroom/Aelderstroom, Holslootdiep, Sleenerstroom
  • Kanalen: Oranjekanaal, Verlengde Hoogeveensche Vaart, Stieltjeskanaal, Dommerskanaal, Odoorner Zijtak, Jongbloed Vaart. Lutter Hoofdwijk, Coevorden-Vechtkanaal,
  • Recreatiecentra: Ermerzand (Erm), Huttenheugte (Coevorden), Aelderholt (Aalden), Hunzebergen (Valthe); Plopsa Indoor Coevorden
  • Heiderestanten/natuurreservaten: Klenckerveld (Oosterhesselen), De Witten en Berkmeer (Dalerpeel), de Katshaar (Stieltjeskanaal), Oostindische veen (Weiteveen), Schoonebeekerveld (Nieuw-Schoonebeek)
  • Bossen: Boswachterij Gees, Mepper Dennen, Boswachterij Sleenerzand, Noordbarger Bosch, Boswachterij Odoorn, Boswachterij Exloo, Valther Bosch
  • Stuifzandgebied: Mepper Dennen
  • Luchtwachttoren 7Z3 bij Oud-Schoonebeek (uit de Koude Oorlog)
  • Golfterreinen (Aalden, Emmen, Dalerveen/Stieltjeskanaal)
  • Radiotelescoop LOFAR (Exloo)
  • Beeldentuin (Gees)

Landschapsopbouw

In het oosten van het deelgebied Zuidenveld ligt de Hondsrug. Deze wordt onderscheiden in een oostelijke rug met daarop Exloo, Valthe en Emmerschans en een westelijke met Borger, Odoorn, Emmen en Erica. De hoogte van deze ruggen varieert van 20 tot maximaal 25 m + N.A.P. Ten westen van de Hondsrug ligt de Rug van Sleen, een onderdeel van de Rolderrug, lopend van Peizer over Rolde naar Sleen. De hoogte hier is ongeveer 20 m + NAP. Tussen Hondsrug en de Rug van Sleen lag oorspronkelijk een smalle strook hoogveen, dat nu uitgeveend is en waar de nederzetting Odoornerveen ontstond.

Ten westen van Hondsrug en Rug van Sleen bevindt zich het Drents Plateau, een lage ‘hoogvlakte’ tussen Coevorden en Groningen en tussen Steenwijk en Emmen/Sleen. Het is een keileemgebied met een dunne bedekking van zand en veen. In het zuiden helt het Plateau licht af. In deelgebied Zuidenveld is het Drents Plateau in het centrale gedeelte (tussen Meppen en Erm) een afwisselend landschap met voornamelijk esdorpen met brinken. Op de nabijgelegen essen wordt akkerbouw bedreven. De groenlanden in de beekdalen van de diepjes en stroompjes worden vooral als weideland gebruikt. Mede door de ruilverkavelingen werd langs het netwerk van kleine onderlinge wegen tussen de dorpen veel groenvoorzieningen aangebracht. Het heeft daardoor de contouren van een coulisselandschap gekregen. Het is gemiddeld 15 m + NAP.

In het zuiden lag oorspronkelijk hoogveen. Dat werd afgegraven en hier ontstonden ten oosten en westen van Coevorden diverse wegdorpen en –gehuchten, op een hoogte van ongeveer 10 m + N.A.P.. Het Odoornerveen is een opmerkelijk rechthoekige enclave tussen de esdorpen Odoorn en Sleen. Hier ontstonden in de 19e eeuw de veenkoloniale nederzettingen Odoornerveen en ‘t Haantje. Langs het Oranjekanaal, midden 19e eeuw gegraven, kwamen de ontginningsnederzettingen Wezuperbrug en Schoonoord. Schoonebeek en Nieuw-Schoonebeek zijn randveenontginningen op vier zandruggen. Het is in feite één langgerekt wegdorp met smalle kavels. In het noordoosten ligt het Schoonebeekerveld, een deel van natuurreservaat Bargerveen. Uitgebreide boscomplexen bevinden zich tenslotte bij Exloo, Odoorn, Sleen in het noordoosten en Meppen en Gees in het westen.

Indeling

Zuidenveld bestaat uit delen van de gemeenten Emmen en Borger-Odoorn en de gehele gemeente Coevorden. De laatste gemeente is in 1998 gevormd uit de gemeenten Coevorden, Dalen, Oosterhesselen, Sleen en Zweeloo.

Het gebied maakt sinds 2000 deel uit van waterschap Velt en Vecht. Dit is de rechtsopvolger van onder meer de waterschappen Loo- en Drostendiep (1958-1995) en Bargerbeek (1963-1995) en waterschap ’t Suydevelt (1995-2000).
 
Het Provinciaal Omgevingsplan van de provincie Drenthe (2004) rekent Zuidenveld tot deelgebied Zuidoost.
 

Woonkernen

* Gemeente Borger-Odoorn: Eeserveen, Exloo, ‘t Haantje, Klijndijk, Odoorn, Odoornerveen, Valthe.
* Gemeente Emmen:  Emmerschans, Noordbarge, Westenesch, Wilhelmsoord, Zandpol.  -        
- Voormalige gemeente Schoonebeek (sinds 1998 bij Emmen): Koelveen, Middendorp (Nieuw-Schoonebeek), Middendorp (Schoonebeek), Nieuw-Schoonebeek, Oosterse Bos, Schoonebeek, Weerdinge, Weiteveen, Westerse Bos.
* Gemeente Coevorden:
- Voormalige gemeente Coevorden: Ballast, Coevorden, Klooster, Nieuwe Krim, Padhuis, Pikveld, Steenwijksmoer, Vlieghuis en Weijerswold.
- Voormalige gemeente Dalen: Dalen, Dalerpeel, Dalerveen, De Bente, De Haar (deels), De Mars, Eldijk (deels), Grevenberg (deels), Hoogehaar, Loo, Stieltjeskanaal, Valsteeg, Veenhuizen, Vossebelt en Wachtum.
- Voormalige gemeente Oosterhesselen: Gees, Geesbrug, Geeserveld, Grevenberg (deels), Langerak, Nieuw-Zwinderen, Oosterhesselen (voormalig gemeentehuis) en Zwinderen.
- Voormalige gemeente Sleen: Achterste Erm, De Haar (deels), De Kiel, Den Hool, Diphoorn, Eldijk (deels), Ellertsveld, Erm, 't Haantje (grotendeels), Holsloot, Kibbelveen, Noord-Sleen, Schimmelarij, Schoonoord en Sleen.
- Voormalige gemeente Zweeloo: Aalden, Benneveld, Meppen, Wezup, Wezuperbrug en Zweeloo.

Landschapsgeschiedenis

Geologie

Heel Drenthe is gevormd door de ijstijden. Een van de laatste ijstijden was het Saalien. In deze fase, ongeveer 150.000 jaar geleden, stroomde een smalle baan ijs over Oost-Drenthe naar het zuidoosten. Dit Scandinavische landijs liet een laag keileem achter, waarin ook zwerfstenen uit Zuid-Zweden zaten. Er werd een aantal zand- en keileemruggen gevormd, die samen het Hondsrugsysteem worden genoemd. Deze wordt onderscheiden in een oostelijke rug met daarop Exloo, Valthe en Emmerschans en een westelijke met Borger, Odoorn, Emmen en Erica. De Rolderrug van Peize tot Sleen is een uitloper van de Hondsrug.

Ook het centrale deel van deelgebied Zuidenveld is een oeroud landschap. De bodem werd gevormd tijdens de diverse ijstjjden van het Pleistoceen, 2,3 miljoen jaar tot 12.000 jaar geleden. Vooral de voorlaatste tijd, het Saalien, was een belangrijke periode. Heel Drenthe was overdekt met landijs, terwijl onder het ijs en aan de randen de bodem werd uitgeschuurd door grond- en zijmorenen. Hierdoor werd veel zand, leem en keien meegevoerd uit onder andere Scandinavië. In Midden Drenthe bleef een grondmorene van keileem achter en zo werd het Drents Plateau gevormd. Tegen het einde van deze ijstijd zocht het smeltende ijs zich een weg naar het noorden en door de erosie van het stromend water ontstonden beekdalen. Deze werden in de laatste ijstijd, het Weichselien, opgevuld met dekzand.
Na de ijstijden kwam er na 12.000 v.Chr. met het Holoceen een warmere periode. Vanaf het hoogste punt van het Drents Plateau, bij Schoonlo, ontwikkelden de beekdalen zich in diverse richtingen. De beekdalen werden deels opgevuld met veen en aan de randen van het Drents Plateau ontwikkelde zich hoogveen.

Vroegste bewoning

De eerste bewoners van dit deelgebied waren nomadische rendierjagers. Jagers en verzamelaars kwamen sinds 120.000 jaar geleden in Drenthe voor. Uit de prehistorie – onderverdeeld in Steentijd, Bronstijd en IJzertijd – zijn tal van archeologische sporen in de provincie gevonden.

Vanaf ongeveer 10.000 v.Chr. maakten jagers en verzamelaars plaats voor landbouwers. Die hadden behoefte aan permanente bewoning. Zo ontstonden de eerste nederzettingen, die aanvankelijk uit slechts enkele boerderijen bestond. Van de grote zwerfkeien die na de ijstijden op het Drents Plateau waren achtergelaten, maakten de Drenten vooral op de Hondsrug en de uitlopers daarvan hunebedden. Hunebedden werden tussen 3500 en 3000 v.Chr. als grafkamers gebouwd door het volk van de Trechterbekercultuur. In Zuidenveld zijn, op een Drents totaal van 53, hunebedden bewaard gebleven in Exloo (twee), Odoorn (een), Valthe (vier), Schoonoord (een), Sleen (twee) en vooral Emmen (liefst tien!). De beroemdste is misschien wel D49, ofwel de Papeloze Kerk bij Schoonoord.

Ook uit later tijd zijn archeologisch sporten van vroege bewoning in Zuidenveld teruggevonden. Uit de Vroege IJzertijd bijvoorbeeld stamt het Hunnenkerkhof bij Oosterhesselen. Boven op nog oudere graven ontstond in deze periode een rechthoekig grafveld met brandheuvels. De meeste zijn in de loop der tijd verdwenen en daarom werd in 1975 een reconstructie gemaakt. Uit dezelfde periode werd een urnenveld bij Meppen gevonden, nu net als het Hunnenkerkhof een archeologisch monument. Er bleef continuïteit  van bewoning van deze streek, getuige onder meer de opgegraven nederzetting bij Noordbarge uit de Romeinse tijd (12 v.Chr.-450 n.Chr.) Hier bevonden zich reeds grafvelden uit Brons- en IJzertijd.

Middeleeuwen: de kerstening van Drenthe

Na de Romeinse tijd daalde de bevolking. Toch is er juist uit de 5e eeuw nog een schitterende archeologisch vondst in Zuidenveld gedaan. De ‘Prinses van Zweeloo’ die in 1952 werd gevonden droeg een zeer verfijnd linnen gewaad en diverse sieraden van glaskralen, brons, barnsteen en zilver. Het was een bewijs dat in Zuidenveld welvarende mensen woonden. Overigens niet in de legendarische stad Hunsow, dat tussen Valthe en Odoorn zou hebben gelegen en in 808 door Vikingen zou zijn verwoest. De ‘ruïnes’ en ‘straten’ die hier zijn gevonden, zijn in werkelijkheid geologische keienvloeren uit de IJstijden.

Het volk of de stammen die in deze tijd op de Hondsrug en het Drents Plateau woonden, waren Germaans en aanbaden Germaanse goden. In de 8ste eeuw kwamen voor de eerste maal christelijke, rooms-katholieke missionarissen naar het noorden van het land. Vanuit Groningerland bereikten zij ook Drenthe. Rond 780 trok de Engelse zendeling Willehand vanuit het Groningse Humsterland verder naar Drenthe. Hier werd nog voor 800 de eerste houten kerk gebouwd in Vries. De kerk van Sleen is waarschijnlijk iets later gebouwd en was daarmee een van de oudste van Drenthe. Van de eerste zes kerken – de oerparochies – van Drenthe stonden er vier op de Hondsrug, Vries, Anloo, Rolde en Sleen (later Emmen). Van hieruit werden dochterkerken gesticht, zodat Drenthe aan het einde van de Middeleeuwen in totaal 37 kerken en daarmee 37 kerspels telde..
 
Vanuit Sleen/Emmen werden dochterparochies gesticht, zoals Borger, en waarschijnlijk ook de parochies en kerken van Oosterhesselen en Zweeloo. Coevorden kende een andere ontwikkeling. Het ontstond op een zandopduiking op een kruispunt van wegen en diepen. In het jaar 1000 werd het een leengoed van de bisschop van Utrecht en die liet hier een kasteel bouwen. Lange tijd behoorde Coevorden formeel niet tot de Landschap Drenthe, maar de kasteelheer van Coevorden was vanaf ongeveer 1150 wel de drost van Drenthe. Dalen ontstond op de weg over de Hondsrug naar Groningen. Ook hier verrees in de Middeleeuwen een kerk.

Vanuit de andere kleine nederzettingen leidden kerk- en reewegen naar de kerkdorpen. want doop en kerkgang en na de dood een christelijke begrafenis vormden een essentieel onderdeel van het christelijk geloof. Vandaar dat ook alleen in kerkdorpen een begraafplaats in en rond de kerk werd aangelegd. Bewoners van het verre Weerdinge gingen niet in het nabije Emmen ter kerke, maar getuige de Weerdinger deur naar Zweeloo. Die van Noord-Sleen – een afsplitsing van Sleen – gingen ook naar Zweeloo en wel via het Zweeler Kerkpad. In het meest oostelijk stuk van deelgebied Zuidenveld ontstond in de Middeleeuwen een randveenontginning, dat naar de naam van de grensbeek Schoonebeek werd genoemd. Vanwege de afgelegen ligging werd hier in de 15e eeuw een kerk gebouwd.

Nieuwe tijd: boeren en stedelingen (1600-1800)

Coevorden was in deze periode met Meppel veruit de grootste plaats van Drenthe. De stad werd sinds begin 17e eeuw bij het gewest gerekend. De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was funest voor Drenthe, omdat het jarenlang strijdtoneel tussen de Spaanse troepen en die van Oranje-Nassau (de ‘Staatsen’) was. Eenderde van de bevolking kwam om en er waren zeer veel verlaten hoeven en erven. De invallen van de Munsterse bisschop Bernhard van Galen, ´Bommen Berend´, later in de 17e eeuw veroorzaakten eveneens veel slachtoffers en immateriële schade. Ook Coevorden was als vestingplaats in deze eeuw meermalen toneel van oorlogshandelingen. Pas tegen het einde van de 17e eeuw herstelde de bevolking zich weer. Zij waren na 1600 gedwongen het rooms-katholieke geloof af te zweren ten gunste van het calvinistische protestantisme. De gereformeerden, zoals zij zich toen noemden, gebruikten wel de in vaak gotische stijl opgetrokken kerken van Zuiderveld.

In deze eeuwen heerste er een institutioneel machtsvacuüm in Drenthe. In de andere gewesten van de Zeven Verenigde Nederlanden werd de primaire macht uitgeoefend door de stadhouder, die daarbij op plaatselijk niveau de hulp van de elite inriep. In Groningen en Friesland had elk dorp minimaal een en vaker meer edelen, die hun macht demonstreerden door de bouw van borgen en stinzen. In Drenthe was de drost – nu in Assen woonachtig - de hoogste vertegenwoordiger van de stadhouder, maar lang niet overal was adel en waren havezaten aanwezig. Drenthe werd dan ook wel gekenschets als een serie boerenrepubliekjes. Dat was ook het geval in het grootste deel van het Zuidenveld. Wel kende Oosterhesselen sinds begin 17e eeuw een erkende havezate in Oosterhesselen, de Klencke. Een van de bewoners was midden 18e eeuw drost van Drenthe en naar hem werd de beek bij de Klencke het Drostendiep genoemd. De nederzettingen in Zuiidenveld bleven, behalve Coevorden, klein en bestonden uit hooguit tientallen boerderijen, waar de eigenerfden baas over de eigen boermarke waren.

Moderne tijd: agrarische hoogconjunctuur (1800-1950)

In vergelijking met de kusstreken van Groningen en Friesland was de landbouw in Drenthe en ook Zuidenveld weinig gespecialiseerd. Het waren gemengde bedrijven, waar ‘de eeuwige roggeteelt’ als akkerbouwproduct alleen mogelijk werd gemaakt door de verzamelde mest van koeien- en vooral schaapskudden. Koeien en schapen werden geweid op de zeer uitgestrekte heidevelden buiten de nederzettingen. De beesten werden ’s winters gestald op de boerderijen, die alle in de nederzettingen zelf lagen. Een eerste uitzondering op het puur agrarische karakter van de streek was de oprichting van de Zwindersche Veencompagnie in 1819. Zij liet turf graven in de marke Zwinderen. Hier ontstond de veenkolonie Nieuw-Zwinderen. Ook bij Dalen werd in de eerste helft van de 19e eeuw het veen ontgonnen en verrees Dalerveen.

De markescheidingen midden 19e eeuw hadden vooral tot doel de gemeenschappelijke heidevelden en zandverstuivingen te privatiseren, opdat deze ‘woeste grond’ werd ontgonnen ten behoeve van de akkerbouw. In het zuidoosten van Drenthe hadden de scheidingen nog een andere reden. De boeren van Noord- en Zuidbarge verkochten hun zeer uitgebreide veengebieden aan derden, zodat die ze konden vervenen. Daarvoor werd vanaf de Drentsche Hoofdvaart bij Hoogersmilde het 44 km lange Oranjekanaal naar Emmen gegraven, voltooid in 1858. Langs dit kanaal ontstond Schoonoord. Ten oosten daarvan lag een veengebied, het Odoornerveen en het Eeserveen. Dat werd na 1855 snel verveend en hier ontstond de veenkolonie Odoornerveen. In 1861 werd ook de Verlengde Hoogeveensche Vaart naar de Zuidoost-Drentse venen aangelegd. Hier ontstonden op zijn beurt de nederzettingen Geesbrug en Holsloot, terwijl Zwinderen voortaan ook aan dit kanaal lag. In 1882-1884 werd bovendien tussen Nieuw-Amsterdam en Coevorden het Stieltjeskanaal gegraven.

De grote veranderingen begonnen voor Zuidenveld even voor 1900. Deze werden vooral veroorzaakt door de geweldige ontwikkeling van de coöperatie in Drenthe. Boeren vormden coöperaties om fabrieksmatig zuivelproducten te vervaardigen, om zaaizaad en kunstmest te kopen. Later kwamen er ook coöperaties voor dorsverenigingen, voor melkcontrole en boerenleenbanken. Vooral het aantal zuivelfabrieken was indrukwekkend. Ook in de Zuidenveldse gemeenten verrezen nog voor 1900 de eerste zuivelinrichtingen en al snel waren er overal boterfabrieken. In Dalen, Dalerveen, Coevorden, Emmen/Westenesch, Erm, Exloo, Nieuw-Schoonebeek, Noordbarge, Noord-Sleen, Odoorn, Oosterhesselen, Oosterhesselerbrug, Schoonebeek, Sleen, Wachtum, Zuidbarge, Zweeloo. De meeste waren kleine handkrachtfabriekjes en na enkele decennia waren de meeste van hen opgenomen in grotere stoomzuivelfabrieken, meestal in coöperatief verband.

De tweede ontwikkeling was de ontginning van ‘het Veld’, de onmetelijke stukken heide, zand en veen tussen de nederzettingen. Mede door de coöperatieve zaai- en kunstmestaankopen konden nu op effectieve wijze voorheen onvruchtbare gronden worden bewerkt. In 1900 waren de heidevelden tussen het Oranjekanaal in het noorden van deelgebied Zuidenveld tot aan de nederzettingen Wezup, Zweeloo, Aalden, Meppen, Noord-Sleen nog vrijwel onontgonnen. Ook Oosterhesselen en Zwinderen ten noorden van de Verlengde Hoogeveensche Vaart waren nog eilanden in de zee van heide. Veertig jaar later was het landschap onherkenbaar veranderd. Vooral door de ontginningen in het kader van de werkverschaffing vanaf de jaren twintig werd veel ‘woeste grond’ omgezet in weide en akkerland. De Ontginningsmaatschappij ‘Het Landschap Drenthe’ bijvoorbeeld deed dat in de jaren 1924-1930 met het Zwindersche Veld van 1000 ha groot. Het Kanaal Coevorden-Zwinderen werd in datzelfde kader gegraven. Het maakte tevens de ontginning van de Veenhuizer venen mogelijk. Hier bleven de hoogveenrestanten De Witten en Berkmeer bewaard en deze zijn nu natuurreservaten. In dezelfde periode werden op de flanken van de Hondsrug bij Odoorn en Exloo uitgebreide, rechthoekige boscomplexen aangelegd.

Actuele vraagstukken

Pas in de jaren dertig werd Emmen de grootste plaats van de gelijknamige gemeente. Terwijl werkloosheid en verpaupering in de Emmer veenkoloniën overheersten, transformeerde de boerennederzetting tot een heuse stad. Het kreeg een nieuw gemeentehuis, een concertzaal, een bioscoop, een zwembad en een sportpark alsmede een dierentuin en een ziekenhuis. Na de Tweede Wereldoorlog zetten deze ontwikkelingen door. Het industrialisatiebeleid van de rijksoverheid leidde er toe dat de nieuwe industrieën zich voornamelijk in Emmen zelf vestigden. Dat impliceerde ook dat de snel groeiende bevolking in nieuwe woonwijken geplaatst moesten worden. Dorpen als Noordbarge en Zuidbarge werden geheel opgeslokt.   Daarvoor werden diverse nieuwe wijken rond het oude zanddorp gebouwd. Het waren de eerste zogeheten ‘bloemkoolwijken’ van Nederland en Emmen werd een ‘stad in het groen’ genoemd.

Emmen was zo binnen enkele decennia tot, na Groningen, de grootste stad van Noord-Nederland uitgegroeid. Voor de meeste nederzettingen in deelgebied Zuidenveld gingen de veranderingen veel geleidelijker. In de jaren vijftig begonnen in Drenthe de grootschalige ruilverkavelingen en in 1964 en 1965 die van ‘Dalen’ en ‘Sleenerstroom’. Snel ging het allemaal niet. In 1968 werd de ruilverkavelingscommissie ingesteld voor het gebied dat ‘Mars- en Westerstroom’ zou gaan heten, naar de twee diepjes die er stroomden. Inmiddels waren de tijden veranderd en dienden er ook landschaps- en beplantingsplannen meegenomen te worden. Toen braken de discussies los. Staatsbosbeheer en de Provinciale Planologische Dienst stonden tegen de boeren, waterschappen en Provinciale Waterstaat. Bij de uitvoering in vooral Noord-Sleen gingen een aantal oude beplantingen verloren en werden kaarsrechte wegen en watergangen gecreëerd. Gedeputeerde Staten van Drenthe besloten dat voortaan de bestaande beplantingen in de oude structuren moesten worden ingepast. De ruilverkaveling Mars en Westerstroom’ vond vervolgens plaats in de gemeenten Zweelo, Oosterhesselen, Sleen en Westerbork en was 6650 ha groot. Hier bleef de historische structuur van het landschap bewaard. In totaal waren er 80 bedrijven van 20 ha en meer bij betrokken. De Mepper Hooilanden bleven vrij van boerderijbouw en bijna 1000 ha werd gereserveerd voor natuurontwikkeling.

Emmen ontwikkelde zich tot een stad met meer dan 100.000 inwoners en Coevorden groeide naar ruim 35.000 inwoners. De andere nederzettingen in deelgebied bleven over het algemeen gering van omvang. Toch kreeg ook in Zuidenveld een aantal van origine agrarische nederzettingen vanaf de jaren zestig en zeventig van de 20ste  eeuw door het bouwen van nieuwbouwwijkjes de gewenste uitbreiding. Op de Hondsrug waren dat vooral Exloo en Odoorn, terwijl daar zelfs kleine dorpen als Valthe en Klijndijk verdicht werden. In het centrale gedeelte van Zudienveld groeiden Zweeloo en Aalden aan elkaar vast. In Meppen en Gees vond uitbreiding vooral plaats langs de vele uitvalswegen. In Oosterhesselen, Sleen en Dalen daarentegen werden compleet nieuwe woonwijken uit de grond gestampt. Nederzettingen als Odoornerveen, ’t Haantje, Wezup, Benneveld, Erm, Zwinderen, Wachtum, Dalerpeel en Dalerveen behielden evenwel in grote lijnen hun vooroorlogse aanblik.

Thema's

Schildersdorp Zweeloo: de verbeelding van het landschap

Sinds enige tijd afficheert Zweeloo zich als het schildersdorp van Drenthe. Dat is niet helemaal onterecht, al kunnen ook Noordenveldse dorpen als Vries en Zeegse of Eext in deelgebied Oostermoer aanspraak maken op die eretitel. Feit is dat schilders van naam al vanaf het derde kwart van de 18e eeuw Zuidenveld en Zweeloo en omliggende dorpen bezocht hebben. De eerste was de landschapsschilder Egbert van Drielst, die in Drenthe Eext als uitvalsbasis gebruikte. Hij schilderde en tekende ook Zweeloo en Aalden. Achter en tussen het geboomte en de bosschages schilderde hij Saksische boerderijen met achterbaanders, met sporadische bewoners erbij.

In het voetspoor van Van Drielst kwamen later in de 19e eeuw veel meer schilders naar Drenthe. Zij schilderden in eerste instantie vaak hunebedden en kerken. De doorbraak kwam toen Nederlandse schilders, in navolging van de Franse Barbizon-school, het platteland opzochten. Hier schilderden zij in de open lucht (plein-air) allerlei taferelen in en rond de dorpen. Natuurlijk was Drenthe ook niet meer zo onbedorven zoals de schilders het graag zagen. Sinds 1870 was er een spoorweg van Zwolle naar Groningen en toen waren er al twee grote kanalen van West- naar Oost-Drenthe aangelegd. Zweeloo lag aan de postkoetsroute van Coevorden naar Groningen en was meestal goed bereikbaar. Vooral de schilders van de Haagse School kwamen naar Drenthe.

Tot de eersten behoorden Anton Mauve, die boerderijen in Wezup afbeeldde, en Jozef Israels, die waarschijnlijk in Zweeloo een ‘Drentsche Madonna’ schilderde. Collega Albert Neuhuys schilderde onder meer ‘Interieur van een Drentse boerderij’ en wel te Meppen. Een versie hangt in het Drents Museum en een tweede in het kasteel te Coevorden. Willem Roelofs verbeeldde het pastorale leven in Oud Aalden en datzelfde deed Alexander Mollinger met Zweeloo. Julius van Sande Bakhuyzen, die Exloo als beginpunt had, zwermde ook wel eens uit naar Zweeloo en omstreken. De bekendste kunstenaar die het schildersdorp bezochten waren Vincent van Gogh, die in 1883 de kerk van Zweeloo tekende. Hij was overigens maar een dag in het dorp. De Duitser Max Liebermann had enkele jaren eerder Zweeloo bezocht. Voor hem was het nog een romantisch dorp uit de 17e eeuw en hij maakte hier verscheidene schilderijen. Ook in de 20ste eeuw bezochten kunstenaars Zweeloo en omliggende dorpen. De in Zeegse wonende Erasmus Bernardus von Dülmen Krumpelmann en diens zoon Erasmus Herman schilderden vooral Wezup. Anderen die dorp en landschap van Zweeloo en omstreken verbeeldden waren Hein Kray, Evert Musch, Jan Wiegers, Jannes de Vries en jo Alting. Al met al genoeg redenen om, net als Oosterbeek, Laren-Blaricum en Katwijk, Zweeloo tot schildersdorp bij uitstek te noemen.

Energielandschap Zuidenveld: olie en gas in Zuidoost-Drenthe

In 1943 werd door de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) bij Schoonbeek een winbaar olieveld gevonden. Door de oorlogsomstandigheden kon het pas vanaf 1947 worden geëxploiteerd. Dat gebeurde door de Nederlandsse Aardoliemaatschappij (NAM), die hiervoor speciaal werd opgericht door de oliebedrijven Shell (voorheen BPM) en het Amerikaanse Esso. De NAM kreeg in 1948 het alleenrecht op de winning van olie en andere delfstoffen in een gebied van 15.000 ha in met name de gemeenten Schoonebeek, Coevorden, Dalen, Emmen en Sleen. Het was meteen een doorslaand succes. Met zogeheten jaknikkers werd de olie bij Schoonebeek uit diepe lagen gehaald. Het was ook van groot belang voor de werkgelegenheid in Schoonebeek, Emmen en omstreken. In Schoonebeek kwam er zelfs een aparte woonwijk met 120 huizen voor NAM-personeel, aan de Julianalaan. Tot 1996 werden in totaal 250 miljoen vaten olie gewonnen. Na een sterke stijging van de olieprijs werd het olieveld in 2010 heropend.

In 1948 werd aardgas gevonden bij Steenwijksmoer, ten westen van Coevorden. Het was het begin van de exploitatie van een groot aantal gasputten in Noord-Nederland door de NAM. Door de vondst van onder meer dit gas besloten gasfabrieken als die van Coevorden en Hoogeveen over te stappen van kolengas op aardgas. In 1959 werd bij Slochteren een bijzondere grote aardgasvondst gedaan. Sindsdien richtte de NAM zich meer op aardgas dan op aardolie. In 1967 verplaatste het bedrijf haar hoofdkantoor naar Assen. De NAM-locatie bij Dalen is nu ‘leeggeproduceerd’, zoals dat genoemd wordt.

Literatuur

B. Braam, Gees: geschiedenis van een zanddorp, 1238-2000. Gees, 2007

G.J. Dijkstra en S.H. Hoek-Beugeling, ’t Verhaal van het Oranjekanaal. Beilen, 2006

M.A.W. Gerding (red.), Geschiedenis van Emmen en Zuidoost-Drenthe. Meppel, 1989

H. Gras (red.), Rond Hunze en Hondsrug: geschiedenis van Odoorn. Odoorn, 1997

H. Gras (red.), Een buurschap en haar marke: gschiedenis van Oosterhesselen. Oosterhesselen, 1997

H. Gras (red.), Drenthe’s veste: geschiedenis van Coevorden. Groningen, 1998

B. Hanskamp, Canon van de Drentse Lantschapsverkaveling. s..l. 2009

G. Huiskes, Dalen, geschiedenis van een Drentse gemeente. Groningen, 1997

H.J. de Jong, Schoonebeek: olierijk in Zuidoost-Drenthe. Zuidwolde, 1986

G. Kuipers, Sleen in heden en verleden. Sleen, 1992

A. Rakemann, Kroniek van de stad Coevorden. Coevorden, 2008

R. Sanders, Schilders van Zweeloo. Beilen, 2007

K. Timmer en G.E. de Vries, 400 jaar venen rondom Emmen. Bedum, 2011

G.E. de Vries, 200 jaar Veenkolonien van Borger en Odoorn. Bedum, 2005