Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
Westerbork, Ned.herv. Kerk
Zuidbrink 19
Geesbrug, Kanaalweg
Elp, Zwiggelterweg
Gees, detail van schuur
Benneveld
Oosterhesselen, Burgemeester de Kockstraat
Zweelo, boerderij met losse schuur
Orvelte in de winter
IJzertijd boerderij Orvelte
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

Auteur: Gerben de Vries 

Beilerdingspel is een oud gebied in centraal Drenthe. Het dingspel (ook wel dingspil genoemd) omvatte voorheen de kerspelen Beilen, Westerbork en Zuidwolde. Om landschappelijke redenen is Zuidwolde bij deelgebied het Dieverderdingspel getrokken.
Beilerdingspel is nu een overwegend agrarisch gebied met aan de oostzijde de bossen van Boswachterij Sleenerzand. Het gebied wordt in oost-westelijke richting doorsneden door het Oranjekanaal, de Beilerstroom/Westerborker stroom, het Oude Diep en de N856. Vanaf hoofddorp Beilen loopt het Linthorst Homankanaal zuidwaarts naar het veengebied ten noordoosten van Hoogeveen. De A28 doorsnijdt in het westen het gebied.
Het deelgebied kent twee grote dorpen (Beilen en Westerbork),€“ en een flink aantal kleinere dorpen en gehuchten (waarvan Zwiggelte, Eursinge, Wijster, Drijber, Mantinge en Nieuw-Balinge de grootste zijn).

Beilerdingspel wordt in het noorden begrensd door de deelgebieden Smildervenen en Rolderdingspel en in het westen door Dieverderdingspel. In het zuiden en zuidoosten liggen de deelgebieden Hoogeveen en Zuidenveld.

Kenmerken en Bijzonderheden

  • Esdorpenlandschap met beekdalen
  • Brinken (Beilen, Drijber, Elp, Hijken, Hooghalen, Ter Horst, Laaghalen, Orvelte, Spier, Westerbork, Zwiggelte)
  • Hallenhuis-of Saksische boerderijen
  • Heide- en veenrestanten (waaronder Scharreveld en Boekweitenplan bij Eursinge, Orvelterzand en Meeuwenplassen bij Orvelte, Lentsche Veen, Groote Veld en Balingerzand bij Nieuw-Balinge en Mantinge)
  • Stuifzandgebied Mantingerzand
  • Snelweg A28
  • Spoorweg Groningen-Meppel
  • Kanalen: Beilervaart, Oranjekanaal en Linthorst Homankanaal
  • Diepjes: Beilerstroom/Westerborkerstroom, Oude Diep, Elperstroom
  • Meerstal: Sikkelmeer (Witterveld)
  • Natuurgebieden: Hijkerveld, Boswachterij Hooghalen, maden bij Elp, Orvelterzand, Ter Horsterzand met Makkumerplas (Beilen), Vossenberg (Wijster), Mantingerzand
  • Landgoed Dennenrode (Hooghalen), Landgoed Vossenberg (Wijster), Scharreveld (Westerbork), Elper Westerveld, Orvelterzand
  • Ellertsveld (heide- en vooral bosgebied met oepnluchtmuseum Schoonoord plus Zevenmarkensteen bij De Kiel
  • Geestelijke Gezondheidsinstelling Beileroord (Beilen)
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork (Hooghalen)
  • Compostbedrijf VAM (Wijster)

Landschapsopbouw

Beilerdingspel ligt centraal op het Drents Plateau. Het is een door beekdalen versneden keileemlandschap met een dunne bedekking van zand. Het is een vlak gebied met een geleidelijk verval in westelijke en zuidelijke richting.
In het deelgebied wordt op de zandgrond akkerbouw en veeteelt beoefend, met rond Westerbork enige pluimveeteelt. De akkerbouw wordt vooral bedreven in de nabijheid van de nederzettingen, terwijl de vroegere, nu in cultuur gebrachte, €˜woeste gronden merendeels weidegebied geworden zijn. Vooral vanuit de grotere dorpen Beilen en Westerbork, maar ook vanuit Elp, Mantinge, Orvelte, Nieuw-Balinge en Wijster waaiert een web van wegen naar het omringende platteland. Bij Beilen en Westerbork is enige industrie gevestigd, waarvan de DOMO en VAM de grootste zijn. In het deelgebied bevinden zich tientallen campings en bungalowparken, alsmede honderden recreatiewoningen. Aan de oostzijde van Beilen is de psychiatrische inrichting Beileroord gevestigd.
In het uiterste zuidoosten ligt nog een veengebied waar vanaf midden 19e eeuw werd verveend. Hier ligt de nederzetting Nieuw-Balinge, die na de Tweede Wereldoorlog meer naar het oosten is verplaatst. De late vervening zorgde ervoor dat er nog enige hoogveenrestanten overgebleven zijn, zoals Martens Plek, Lentsche Veen, Hullenzand en Mantingerzand. Natuurmonumenten creëert hier vanaf 1992 het Plan Goudpluvier, waarbij de vroegere heidevelden worden gereconstrueerd.

Indeling

Beilerdingspel beslaat het grootste gedeelte van de gemeente Midden-Drenthe. Deze werd in 1998 als gemeente Middenveld gevormd uit de voormalige gemeenten Smilde, Beilen en Westerbork. Sinds 2000 is de naam gemeente Midden-Drenthe.

Het gebied maakt sinds 2000 deel uit van waterschap Reest en Wieden. Dit is de rechtsopvolger van onder meer de waterschappen De Oude Vaart en Middenveld. Deze werden op hun beurt in 1995 gevormd door de fusie van plaatselijke waterschappen als Beilerstroom, De Westerborkerstroom, het Zwiggelterveld en het Oude Diep.

Het Provinciaal Omgevingsplan van de provincie Drenthe rekent Beilerdingspel tot deelgebied
Zuidwest.

Woonkernen

Voormalige gemeente Beilen: Beilervaart, Brunsting, Drijber, Drijberscheveld, Emelangen, Eursing, Halerbrug, Hijken, Holthe, Hooghalen, Klatering, Laaghalen, Laaghalerveen, Lieving, Makkum, Oranje, Rheeveld, Smalbroek, Spier, Ter Horst en Wijster.
Voormalige gemeente Westerbork: Balinge, Bruntinge, Elp, Eursinge, Garminge, Mantinge, Nieuw-Balinge, Orvelte, Westerbork, Witteveen, Zuidveld en Zwiggelte.
Gemeente Hoogeveen: Pesse, Fluitenberg, Stuifzand, Zwartschaap.
Schaapskudde Orvelte (www.toonbeeldbank.nl)
www.toonbeeldbank.nl/ Frans de Vries

Landschapsgeschiedenis

Geologie

Beilerdingspel is een oeroud landschap. De bodem werd gevormd tijdens de diverse ijstijden van het Pleistoceen, 2,3 miljoen jaar tot 12.000 jaar geleden. Vooral de voorlaatste ijstijd, het Saalien, was een belangrijke periode. Heel Drenthe was overdekt met landijs, terwijl onder het ijs en aan de randen de bodem werd uitgeschuurd door grond- en zijmorenen. Hierdoor werd veel zand, leem en keien meegevoerd uit andere landstreken. In Midden Drenthe bleef een grondmorene van keileem achter, die het Drents Plateau vormde. Tegen het einde van het Saalien trok het smeltende ijs zich terug naar het noorden en door de erosie van het stromend water ontstonden beekdalen. Deze werden in de laatste ijstijd, het Weichselien, opgevuld met dekzand.
Rond 12.000 v.Chr. werden de ijstijden opgevolgd door een warmere periode: het Holoceen. Vanaf het hoogste punt van het Drents Plateau, bij Schoonlo net buiten dit deelgebied, ontwikkelden de beekdalen zich in diverse richtingen. In Beilerdingspel liepen de Beilerstroom en het Oude Diep in zuidwestelijke richting. Aan de randen van het Drents Plateau, onder meer bij het huidige Nieuw-Balinge, ontstond tot aan het begin van de jaartelling hoogveen.

Vroegste bewoning

De eerste bewoners van dit deelgebied waren vermoedelijk nomadische rendierjagers. De oudste sporen in het gebied wijzen op menselijke aanwezigheid bij Beilen rond 20.000 voor onze jaartelling. Bij Spier en Kraloo zijn vuursteenvondsten gedaan, die rond 12.000 v.Chr. te dateren zijn.

In het neolithicum heeft  waarschijnlijk het rondtrekkende bestaan als jager-verzamelaars plaats gemaakt voor een samenleving die kleine boeren nederzettingen stichtte. Een zeer bijzondere vondst is de Kano van Pesse, die rond 8000 v.Chr. vervaardigd moet zijn. Deze oudste boot ter wereld werd in 1955 gevonden, tijdens de aanleg van de A28.

Binnen het Beilerdingspel is mogelijk sprake geweest van een bewoningscontinuïteit vanaf de IJzertijd. In Wijster zijn bij archeologische opgravingen boerderijen gevonden vanaf de Midden- en Late IJzertijd (vanaf 500 v.Chr.). Ook uit de Vroeg- en Laat-Romeinse Tijd (12 v.Chr. tot 450 n.Chr.) lag hier een nederzetting. Het was met ongeveer achttien boerderijen en 150 bewoners zelfs de grootste van Drenthe. €"Wijster€" is zelfs een type-aanduiding voor een boerderij uit de Romeinse Tijd geworden. Uit dezelfde periode, waarschijnlijk even voor 400 n.Chr., dateert de zogenaamde Goudschat van Beilen, bestaande uit een armband, halsringen en 22 gouden munten. Wellicht bestaat er een verband met de nederzetting van Wijster.

Middeleeuwen

In de 8e eeuw kwamen voor het eerst christelijke, rooms-katholieke missionarissen naar het noorden van het land. Vanuit Groningerland bereikten zij ook Drenthe. Rond 780 trok de Engelse zendeling Willehand vanuit het Groningse Humsterland verder naar Drenthe. De eerste zes kerken werden gebouwd in Anloo, Vries, Rolde, Beilen, Diever en Emmen. Zij vormden de oerparochies van Drenthe, van waaruit later weer andere kerken werden gesticht. Uit deze oerparochies ontstonden de dingspellen of rechtsgebieden, waar vergaderingen en goorspraken werden gehouden. Beilen werd op deze manier zowel hoofdkerk als hoofdplaats van een groot gebied, het Beilerdingspel.

Westerbork kreeg vanuit Beilen een kapel, die eind 13e eeuw tot kerk werd gepromoveerd. Opvallend was dat Mantinge, Balinge, Zwiggelte, Elp, Orvelte en Wijster zich nooit tot zelfstandige parochies ontwikkelden. Vanuit deze dorpen en andere esgehuchten leidden kerk- en reewegen naar de hoofdplaatsen, omdat doop, kerkgang en een christelijke begrafenis een essentieel onderdeel van het christelijk geloof vormden. Vandaar dat ook alleen in de hoofddorpen, in en rond de kerken, begraafplaatsen werden aangelegd.

De kerk van Beilen was een zogeheten eigenkerk van de bisschop van Utrecht, de landheer van Drenthe in de Middeleeuwen. In deze Stefanuskerk werd de landsdag, de vergadering van eigenerfde boeren in een dingspel, gehouden. Toren en koor van de Beiler kerk stammen uit de 15e eeuw. De toren behoort met die van de kerken van Ruinerwold, Dwingeloo, Havelte, Ruinen, Kolderveen en Rolde tot de Drentse Torenfamilie. De torens van de kerkgebouwen van Vledder, Vries, Zuidlaren en Westerbork zijn in stijl verwant.

De eveneens naar de Heilige Stefanus vernoemde kerk van Westerbork was een eigenkerk van het klooster van Dikninge. De monniken van dat klooster fungeerden in Westerbork als pastoor. 

 

Nieuwe tijd: boeren en adel (1500-1800)

Ook na de Middeleeuwen gingen de ontginningen door, waardoor een aantal nieuwe nederzettingen ontstond. De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was funest voor Drenthe, omdat het jarenlang het strijdtoneel was van de Spaanse troepen en die van Oranje-Nassau (de "Staatsen") was. Een derde van de bevolking kwam om en zeer veel hoeven en erven werden verlaten. Pas tegen het einde van de 17e eeuw herstelde de bevolking zich. Zij waren na 1600 gedwongen het rooms-katholieke geloof af te zweren ten gunste van het calvinistische protestantisme. De gereformeerden, zoals zij zich toen noemden, gebruikten wel de in oude Laatgotische stijl opgetrokken kerken van Beilen en Westerbork.

In deze eeuwen heerste er een institutioneel machtsvacuüm in Drenthe. In de andere gewesten van de Zeven Verenigde Nederlanden werd de primaire macht uitgeoefend door de stadhouder, die daarbij op plaatselijk niveau de hulp van de elite inriep. In Groningen en Friesland had elk dorp minimaal één maar meestal meerdere edelen, die hun macht demonstreerden door de bouw van borgen en stinzen. In Drenthe was de drost de hoogste vertegenwoordiger van de stadhouder, maar lang niet overal was adel en waren havezaten aanwezig. Drenthe werd dan ook wel gekenschetst als een serie boeren republiekjes. Dat was ook het geval in Beilerdingspel. Anders dan in betrekkelijk dichtbij gelegen nederzettingen Dwingeloo en Havelte in deelgebied Dieverderdingspel kwam hier geen enkele havezate tot ontwikkeling. De nederzettingen in Beilerdingspel waren over het algemeen klein en bestonden uit slechts enkele boerderijen. In de 18e eeuw groeide alleen Beilen uit tot een grotere plaats, vooral dankzij haar ligging aan de weg tussen Groningen en Meppel.

Moderne tijd: agrarische hoogconjunctuur (1800-1950)

In vergelijking met de kuststreken van Groningen en Friesland was de landbouw in Drenthe weinig gespecialiseerd. Zo ook in Beilerdingspel. Er bevonden zich gemengde bedrijven, waar "€˜de eeuwige roggeteelt" als akkerbouwproduct alleen mogelijk werd gemaakt door de verzamelde mest van koeien- en vooral schaapskudden. Akkerbouw werd bedreven op de essen. Voorbeelden van grote essen waren de Eursinger es de Noorder en Oosteresch bij Westerbork, de Oosteresch bij Zwiggelte en de Hooghaleresch bij Hooghalen. Koeien en schapen werden geweid op de zeer uitgestrekte heidevelden buiten de nederzettingen. De beesten werden '€™s winters gestald op de boerderijen, die in de nederzettingen zelf lagen. In 1820 brandde hoofddorp Beilen bijna geheel uit: alleen de school, de kerk en veertien huizen bleven gespaard.  

De markescheidingen midden 19e eeuw hadden vooral tot doel de gemeenschappelijke heidevelden en zandverstuivingen te privatiseren, opdat deze "woeste grond" werd ontgonnen ten behoeve van de akkerbouw. De aanleg van het Oranjekanaal (voltooid in 1858) was de eerste grote ingreep in het landschap van Beilerdingspel. Alleen Hijken lag onmiddellijk aan het kanaal, dat bedoeld was om turf uit de Zuidoost-Drentse venen af te voeren. De aanleg van de spoorweg tussen Meppel en Groningen (voltooid in 1870) was de tweede grote ingreep. De aanleg van de spoorlijn was bedoeld voor het vervoer van landbouwproducten naar de markt. De overschotten waren echter door een gebrek aan mest en vooral kunstmest zo gering, dat deze infrastructurele ingreep nooit optimaal benut is. Met andere woorden: er was niet genoeg aanbod van landbouwproducten, zonder dat Drenthe overigens geheel autarkisch was. Wel werd eind 19e eeuw de veenkolonie Nieuw-Balinge gesticht aan de Middenraai, die in 1860 naar de Hoogeveensche Vaart was gegraven. Deze veenkolonie kreeg een hervormde en een gereformeerde kerk. Aan een zijtak van de Middenraai, ten zuiden van Mantinge, werd eveneens veen ontgonnen bij "Nieuw-Utrecht"€™.

Grote landschappelijke veranderingen vonden plaats aan het eind van de negentiende eeuw, dankzij de enorme ontwikkeling van boeren coöperaties in Drenthe. Boeren vormden coöperaties om fabrieksmatig zuivelproducten te vervaardigen en om zaaizaad en kunstmest in te kopen. Later kwamen er ook coöperaties voor dorsverenigingen, melkcontrole en boerenleenbanken. Vooral het aantal zuivelfabrieken was indrukwekkend. Ook in de gemeenten Beilen en Westerbork verrezen nog voor 1900 de eerste zuivelinrichtingen, eerst door particulieren, zoals in Beilen. Later volgden  vooral "boterfabrieken" van coöperatieve verenigingen, zoals in Westerbork, Balinge, Brunsting, Hijken, Hooghalen en Wijster. Daarnaast waren er nog particuliere fabriekjes in Drijber en Elp. Na enkele decennia waren de meeste kleine fabriekjes opgegaan of gefuseerd met de grotere in bijvoorbeeld Beilen en Westerbork.

De tweede ontwikkeling was de ontginning van "€˜het Veld"€™, de onmetelijke stukken heide, zand en veen tussen de nederzettingen. Mede door de coöperatieve zaai- en kunstmestaankopen konden op effectieve wijze voorheen onvruchtbare gronden worden bewerkt. Rond Beilen waren door de talloze keuterboeren die hier woonden en werkten al veel heidevelden ontgonnen. Rond 1917 begon de Amsterdamse Algemeene Landexploitatiemaatschappij met de ontginning van 500 hectare ten zuiden van Zwiggelte. Eerder al was de Landmaatschappij Drenthe bezig met de ontginning van 300 hectare heide ten oosten van Wijster, waar het landgoed De Vosseberg ontstond. Ook in Westerbork werd op grote schaal ontgonnen: in de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw werden, voor een belangrijk deel in werkverschaffing, het Hooimaveld, het Hamveld, het Oosterveld en het Veenveld ontgonnen. Datzelfde gold voor de "€˜velden" rond Zwiggelte, Elp, Hooghalen, Wijster, Pesse en Drijber. Een groot deel van de heide- en veengebieden was tegen 1950 veranderd in akker- en weidegronden. Alleen moeilijk bewerkbare grond, zoals de zandverstuivingen van het Mantinger Zand en het Balinger Zand, werd vooralsnog ongemoeid gelaten.

In het deelgebied Beilerdingspel vestigden zich in deze periode vier grote instituten en bedrijven. In 1925 begon Beileroord aan het spoor met de opvang van psychiatrische patiënten, en breidde zich gestaag uit tot een groot complex. In 1931 ging de VAM (Vuil Afvoer Maatschappij) ten zuiden van Wijster van start: op 600 hectare heide werd een compostfabriek gebouwd, waar Haags huisvuil werd verwerkt ten behoeve van de jonge ontginningen. Het in 1926 geopende Linthorsthomankanaal (tussen de Beilervaart en de Hoogeveensche Vaart), kreeg zelfs een aftakking naar het bedrijf: het VAM-kanaal. In 1938 begon in Beilen de DOMO (de Drentse Ondermelk Organisatie) met de verkoop van ondermelk en groeide na de oorlog uit tot een coöperatieve zuivelgigant. In 1939 werd bij Hooghalen Kamp Westerbork€“ in gebruik genomen om Joodse vluchtelingen uit Duitsland op te vangen. Tijdens de Duitse bezetting functioneerde het kamp als Durchgangslager, vanwaar joden naar vernietigingskampen in vooral Polen werden gestuurd. Na de bevrijding werd het kamp gebruikt voor de internering van NSB'€™ers en tussen 1952 en 1971 als opvangkamp De Schattenberg voor Molukkers.

Actuele vraagstukken

Tot de jaren zestig waren de dorpen van Beilerdingspel nog duidelijk herkenbare esdorpen met brinken. Westerbork en vooral Beilen waren door de aanwezigheid van enige industrie de enige nederzettingen die niet overwegend agrarisch van aard waren. In de jaren vijftig en zestig werd voor de grotere dorpen gestreefd naar verdichting. Daarnaast breidde Beilen zich eerst in westelijke richting uit. Later werden nieuwbouwwijken gebouwd naar het noorden en oosten, waarbij de spoorweg de bebouwingsgrens bleef. Westerbork was rond 1900 al een langgerekte nederzetting met enkele brinken, waarbij de boerderijen en huizen vooral tussen de Hoofdstraat en Westereinde stonden. Vanaf de jaren zestig verrezen hier ook wijkjes ten zuiden en vooral ten noordwesten van de kern. Beilen had zijn sportpark, Westerbork kreeg een zwembad. Bij beide plaatsen werden ook industrieterreinen aangelegd, terwijl ten westen van Beilen ook recreatieplassen en visvijvers werden gerealiseerd. In de overige, kleinere dorpen, verdichtte de bebouwing zich, maar was er geen sprake van forse uitbreidingen. Alleen Wijster ontwikkelde zich, €“mede door de aanwezigheid van de VAM ten zuiden van het dorp,“ tot een vrij omvangrijke nederzetting.

Na de bevrijding werd ook door veel agrariërs in Beilerdingspel de wens tot ruilverkaveling van gronden geuit. Net als elders op de Drentse zandgronden waren de kleine percelen van de individuele boeren vrijwel niet aaneensluitend. Bovendien waren er in de groenlanden (madelanden) vaak problemen met de afwatering. De bereikbaarheid van de verspreide percelen over de zandpaden was over het algemeen slecht. De ruilverkaveling Hijken in het noordelijke deel van Beilerdingspel werd in 1959 ingezet en was twaalf jaar later voltooid. Vanuit de dorpskernen werden twaalf boerderijen naar het buitengebied verplaatst, vooral bij de Vorrelvenen. Net name in het gebied ten zuiden van het Oranjekanaal vervaagde de structuur van het esdorpenlandschap, maar het Hijkerveld en de Hijkeresch werden meer ontzien.

De volgende grote ruilverkaveling was die van €˜de Broekstreek€™ in de gemeenten Beilen en Westerbork. Ook hier werden boerderijen naar het buitengebied verplaats, in totaal veertien. Nieuw was hier dat in het kader van het landschapsplan in het Westerse Broek, de Eekmaten, het Bruntinger binnenveld en het Groote Veld (ook wel Mantingerveld of Goudplevier genoemd) nieuwbouw niet langer werd toegestaan. Bij de ruilverkaveling Drijber was er minder behoefte aan de combinatie natuur, cultuurhistorie en landschap. Wel werd langs het Oude Diep een aantal zandwegen met fraaie beplanting behouden. Bij de ruilverkaveling Westerbork, ten noorden van deze plaats, werd midden jaren zeventig meer gestreefd naar behoud van de oorspronkelijke kavelgrenzen met de bestaande beplantingen. De Stroetma, Reitma en Oosterma bij de Elperstroom werden aangewezen als natuurgebied.

Thema's

Orvelte

Orvelte is een esdorp aan de oostgrens van Beilerdingspel, dat voor het eerst in de 14e eeuw genoemd werd. Het was een nederzetting die zich niet verder ontwikkelde, getuige het feit dat de brink aan de noordzijde ligt. Bij gewone esdorpen werd de brink juist in de loop der tijd het centrale €˜plein€™, waaromheen de boerderijen gebouwd werden. Toen Orvelte in 1967 tot beschermd dorpsgezicht werd aangewezen woonden er nog geen 100 mensen. Zo kon het oorspronkelijke karakter worden behouden: een Drents dorp met diverse Saksische boerderijen uit de 19e eeuw.

Monumentenzorg reconstrueerde vervolgens een centrale brink. Van de zeventien boerderijen die in 1832 aanwezig waren, resteerden toen nog slechts acht. Deze werden gerestaureerd in het kader van de aanwijzing van Orvelte als openluchtmuseum. In de opengevallen plekken werden boerderijen (Brunstigehof) en andere gebouwen uit Drenthe herbouwd. Zo kwam er een tolhuis, een zuivelfabriekje uit 1899, een dorpswinkel, een klompenmakerij, een houtzagerij, een smederij, een glasblazerij, een dorpscafé, een kinderboerderij. Dit werd mede mogelijk gemaakt door subsidies van Monumentenzorg. Ook is er een boerderij uit de IJzertijd van het type-Hijken gereconstrueerd. Er mag vrijelijk worden rondgekeken in de Dorpsstraat, Schoolstraat en Flintenweg. In 1974 werd het dorp autovrij gemaakt. Het "museumdorp" werd in Drenthe ook wel als negatief voorbeeld gebruikt, voor een dorp dat op slot zit en waar niet meer mag worden gebouwd. In toeristisch opzicht is het echter een geslaagde attractie. Het is open van 1 april tot 1 november.

Goudplevier

Natuurmonumenten kwam in 1992 met het Plan Goudplevier. De vereniging had tussen Mantinge en Nieuw-Balinge vier natuurgebiedjes in bezit, te weten Mantingerzand (66 hectare), Hullenzand (25 hectare), Lentsche Veen (46 hectare) en Martensplek (38 hectare). Door middel van aankoop van landbouwgrond wilde zij deze gebieden verbinden tot een natuurgebied van 1200 hectare. Het plan was besproken met de provincie Drenthe, de gemeente Westerbork, het waterschap Reest en Wieden en de LTO. Woeste grond die in de eerste decennia van de 20e eeuw met moeite werd ontgonnen, moest weer omgevormd worden tot natuurgebied, tot heide. Omdat de lokale agrariërs en ook de bewoners van Nieuw-Balinge en Broekstreek (zoals de dorpen Mantinge, Balinge en Garminge samen wel worden aangeduid) totaal niet bij de plannen waren betrokken, waren de reacties zeer negatief. De boeren voelden zich bedreigd in hun bedrijfsvoering, de dorpelingen waren bang dat ze te geïsoleerd zouden raken.

Duidelijk was dat Natuurmonumenten voortaan een andere weg moest bewandelen om tegen de zin van de bewoners de natuur te herontwikkelen. Uiteindelijk wisten zij het vertrouwen van de boeren te winnen door een goede grondprijs te bieden of elders ruilgronden aan te bieden. In 2003 had Natuurmonumenten al 800 van de 900 hectare van de landbouwgrond in haar bezit. Op dat moment was nog geen 200 hectare heringericht als natuur. Eerst moest de bemeste bovenlaag (de bouwvoor) worden afgegraven. Tijdens de ruilverkavelingen van de jaren zeventig waren er helemaal geen natuur- en cultuurwaarden meer te herkennen, zodat de bodem tot aan de keileemondergrond moest worden afgeschraapt. Bovendien duurde de bestemmingswijziging van het gebied enige jaren. Na 2003 werd echter hard gewerkt aan het Plan Goudplevier. De verstandhouding met de bewoners verbeterde, en in het dorpshuis van Nieuw-Balinge richtte Natuurmonumenten een vaste expositie over het gebied in. In het kielzog van dit plan werd Project Koolveen opgezet, dat het Mantingerzand via het eerder ingerichte Groote Veld met het Hullenzand verbindt.

Literatuur

G. Abuys, Interneringskamp Westerbork : verhalen van een vergeten verleden, 1945-1948. Hilversum, 2010

G. Bakker et al, Van Wisnare tot Wijster, 1206-1981. Dwingeloo, 1981

H. van der Brink, Nieuw-Balinge: veur oen lust en oen leven!: dorpsomgevingsplan. Assen, 2004

G.J. Dijktsra, Beilen 1811-1997. Beilen, 1997

J. van Ginkel, Op zoek naar de jeneverbes: wandelen en fietsen rond Mantinge en Meppen. Amsterdam, 2006

J. Lubberts, De fabriek: de historie van de zuivelfabriek in Westerbork. Westerbork, 2005

K. Meppelink, De Broekstreek: leven en werken in de 20ste eeuw in kleine Drentse dorpen. Beilen, 2000

Ministerie van LNV, Beheersplan voor het beheers- en reservaatsgebied Pesse.Utrecht, 1990

Provincie Drenthe, Beheersplan voor het reservaatsgebied Beilen. Utrecht, 1989

H. van der Veen, Interneringskamp Westerbork : verhalen van een vergeten verleden, 1945-1948. Hooghalen, 2003

L. Wassen, Orvelte, levend dorp vol monumenten en ambachten: van cultuurhistorie tot educatief recreatieproject. Orvelte, 1995

Jan S. Ybema, 55 jaar poeder maken in Beilen : van Centraal Melkverwerkingsbedrijf DOMO tot Friesland Foods. Meppel, 2005

N. van der Zee, Westerbork, het doorgangskamp en zijn commandant.Soesterberg, 2006