Notice: Trying to get property of non-object in /home/landschap/domains/landschapsgeschiedenis.nl/public_html/deelgebieden.php on line 38
Landschaps Geschiedenis

Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
Nieuw Buinen, Kerklaan
Valthermond, Zuiderdiep
Weiteveen
Weiteveen, RK begraafplaats
Valthermond
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

Auteur: Gerben de Vries 

De Jonge Veenkoloniën is een voormalig hoogveengebied, dat in de 19e en 20ste eeuw werd verveend en ontgonnen. Het kenmerkt zich nu door kanaaldorpen en een rechtlijnig verkavelingspatroon. In het zuiden van dit deelgebied liggen de wat oudere veenontginningen van Oud- en Nieuw-Schoonebeek met strokenverkaveling en in het zuidoosten het natuurreservaat Bargerveen.


Het deelgebied Jonge Veenkoloniën wordt begrensd door de provinciegrens met Groningen in het noorden en noordoosten en de rijksgrens met Duitsland in het oosten en zuiden. Het zandgebied van Emmen vormt de westgrens.

Kenmerken en Bijzonderheden

  • Veenkoloniaal landschap met kanalen, hoofdwijken, wijken en sloten
  • Kanaaldorpen met dichte lintbebouwing en weinig verspreide boerderijen buiten de dorpen
  • Hoogveenontginningslandschap met strokenverkaveling (Schoonebeek)
  • Oldambster (onder meer Emmer-Compascuum) en Hallenhuisboerderijen (Schoonebeek)
  • Brede kanalen voor ontsluiting van de veengebieden (Verlengde Hoogeveensche Vaart, Oranjekanaal, Weerdingermond, Stads-Compascuumkanaal, Scholtenskanaal, Stieltjeskanaal, Dommerskanaal)
  • Deels gedempte monden: Valthermond, Buinermond, Drouwenermond
  • Beken en beekrestanten (Runde, Moersloot)
  • Rechthoekig patroon van wijken, wegen, georiënteerd op de kanalen of hoofdwijken
  • Hoogveenrestanten (Bargerveen, Amsterdamsche Veld, Schoonebeeker Veld, Meerstalblok)
  • Veenpark De Wereld van Veen (Barger Compascuum)
  • Industrieel Smalspoormuseum (Erica)
  • Olieveld (Schoonebeek)
  • Zandwinning (Amsterdamsche Veld)
  • Luchtwachttoren 7Z3 (Oud-Schoonebeek)

Landschapsopbouw

Het kerngebied van de Jonge Veenkoloniën wordt gevormd door een voormalig hoogveengebied, dat onderdeel uitmaakte van het Bourtanger Veen. De veenlagen konden oplopen tot 12 meter. Dit werd verveend vanaf de Middeleeuwen in Schoonebeek en in de 19e en 20e eeuw in de gemeenten Borger, Odoorn en Emmen. Het wijkenstelsel is in grote delen van het gebied bewaard gebleven, al werden vooral diverse Drentse Monden in de jaren zeventig van de 20e eeuw gedempt. Buiten de grote kernen als vooral Emmen en verder Emmer-Compascuum, Klazienaveen en Nieuw-Amsterdam wordt op de uitgeveende grond vooral akkerbouw bedreven. Alleen op de zandgronden van (Oud-)Schoonebeek en Nieuw-Schoonebeek wordt veelteelt beoefend.

De inrichting van het landschap werd voorheen bepaald door de aanleg van grote afvoerkanalen voor de turf: Stadskanaal, Oranjekanaal, Verlengde Hoogeveensche Vaart, Stads-compascuumkanaal, Stieltjeskanaal, Dommerskanaal, Scholtenskanaal en Willemsvaart. Vrijwel al deze kanalen zijn bewaard gebleven. De Drentse Monden richting Stadskanaal zijn voor het grootste deel gedempt, om plaats te maken voor verkeerswegen. Wel is in het Mondengebied het fijnmazige wijkenstelsel nog goed bewaard gebleven. Dwars door het gebied loopt de N379 ofwel de Drentse Mondenweg van Nieuw-Buinen naar Emmer-Compascuum. Vanaf de Hondsrug lopen bovendien diverse wegen noordoostwaarts richting het Stadskanaal. In het zuiden loopt de (goederen-)spoorweg van Coevorden naar Emmen.

Naast akkerbouw en enige veeteelt wordt ten zuiden van Emmen, bij Erica en Klazienaveen, op vrij grote schaal tuinbouw beoefend. Verder is er met name in het zuiden van het deelgebied sprake van ‘nieuwe natuur’ op oude grondslag. Het laatste aaneengesloten hoogveengebied werd bestemd tot natuurreservaat, het Bargerveen. Dit bestaat uit de onderdelen Meerstalblok, Amsterdamsche Veld en Schoonebeekerveld. Ten oosten van Barger-Oosterveld en Nieuw-Dordrecht werd in de jaren 1970 door Staatsbosbeheer op een stuk overgebleven hoogveen het natuurreservaat het Oosterbos aangelegd. Ten oosten daarvan werd in 1998 gestart met de aanleg van Scholtenzathe, bestaande uit traditionele en biologische landbouw, bos en buitenplaatsen. In dit kader werd ook begonnen met de reconstructie van het riviertje de Runde.

Indeling

Deelgebied de Jonge Veenkoloniën beslaat een groot gedeelte van de gemeente Emmen, waarin in 1998 de gemeente Schoonebeek opging. De Herinrichting Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën rekent de Jonge Veenkoloniën tot het deelgebied Emmen. Het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe, vastgesteld in 2004, rekent de Jonge Veenkoloniën tot het deelgebied Zuidoost. 

Het gebied maakt sinds 2000 deel uit van het waterschap Velt en Vecht.

Woonkernen

Gemeente Emmen: Amsterdamsche Veld, Barger-Compascuum, Barger-Erfscheidenveen, Barger-Oosterveen, Barger-Oosterveld, Berkenrode, De Maten (deels), Emmer-Compascuum, Emmer-Erfscheidenveen, Erica, Foxel, griendtsveen, Klazienaveen, Koelveen, Munsterscheveld, Nieuw-Amsterdam, Nieuw-Dordrecht, Nieuw-Schoonebeek, Nieuw-Weerdinge, Noordveen, Oosterse Bos, Oranjedorp, Roswinkel, Schoonebeek, Schutswijk, Siepelveen, Weiteveen, Westerse Bos, Wilhelmsoord, Zandpol en Zwartemeer.
Gemeente Borger-Odoorn: Boermastreek, Buinerveen, Dikbroeken, Drouwenermond. Exloërkijl,Exloërveen, Eerste Exloërmond, Kavelingen, Nieuw-Buinen, Tweede Exloërmond, Tweede Valthermond, Valtherblokken, Valthermond, Valthermussel, Zandberg.

Landschapsgeschiedenis

Geologie

Het deelgebied De Jonge Veenkoloniën is een tamelijk jong landschap, dat oorspronkelijk deel uitmaakte van het 200.000 hectare grote Bourtangerveen (ook wel Bourtanger Moeras of Bourtanger Moor genoemd). Hiervan lag 70% in Nederland, in Groningen en Drenthe. Dit moeras- en hoogveengebied lag in het oerdal van de Hunze en ontstond tussen ca. 3000 v.Chr. en het begin van de jaartelling. Het Hunzedal groeide dicht met broekbos en zeggenmoerassen. Toen de waterafvoer stagneerde, begon de eigenlijke veenvorming die rond 500 v.Chr. voltooid was. Hoogveen bestaat vooral uit veenmos, dat veel regenwater kan vasthouden. De grote complexen hoogveen tussen de Hondsrug en de zandduinen van de Eems vormden eeuwen lang de natuurlijke grens tussen de Duitse en Nederlandse landen. In de hoogste delen ontstonden kleine watertjes die meerstallen worden genoemd. Het Bargermeer en het Zwartemeer, beide tijdens de eerste periode van de vervening tussen 1870 en 1900 drooggelegd, waren hier voorbeelden van. Uit het Zwartemeer ontsprong de veenbeek de Runde, die in Groningen aansloot op de Ruiten A.

Vroegste bewoning

In de oudste periode van de veenvorming woonden er waarschijnlijk geen mensen in dit deel van het Bourtanger Veen. Vanaf 2550 v.Chr. werden in de Jonge Veenkoloniën zogeheten veenwegen van houten stammetjes gemaakt, zoals de veenwegen van Nieuw-Dordrecht en die van Klazienaveen-Noord, die uit de iets recentere Bronstijd stamt. Uit de vroege Bronstijd (ongeveer 1900 v.Chr.) stamt de bronzen ‘Dolk van Barger Oosterveld’, uit waarschijnlijk Midden-Europa. Uit dezelfde periode stamt het ‘Kralensnoer van Exloo’, gevonden bij Exloërmond en te zien in het Drents Museum. De meest indrukwekkende veenweg is de Valtherbrug uit de Romeinse Tijd. Vanaf het begin van de jaartelling zijn er ook menselijke sporen in het moeras teruggevonden. De meest spectaculaire vondsten waren de veenlijken. ‘Het Meisje van Yde’ is wereldberoemd, maar uit de Jonge Veenkoloniën stammen onder meer ook bekende veenlijken als het ‘Paar van Weerdinge’ en de ‘Man van Emmer-Erfscheidenveen’. Ten derde kunnen de honderden potten en andere voorwerpen worden genoemd, die als offergaven in het veen werden gedeponeerd. In alle drie gevallen (wegen, lijken, potten) lijkt het veen een rituele functie te hebben gehad, een soort overgangsgebied naar de andere wereld.

Middeleeuwen (800-1500)

In de Middeleeuwen ontstonden aan de randen van dit veengebied de eerste nederzettingen in beekdalen. In het noorden was dat in Roswinkel, waar kolonisten uit het Groningse en ook uit de marke Weerdinge zich langs de Runde en de Moersloot vestigden. In het uiterste zuiden was dat eveneens langs het Schoonebeekerdiep het geval. Ook hier kwam een randveenontginning tot stand, vernoemd naar de beek, Schoonebeek. Het was in de 14e eeuw een zelfstandig buurschap, dat geschillen over de grenzen van haar marke had met die van Noord- en Zuidbarge. De bewoning van Roswinkel schoof met de vervening mee, terwijl Schoonebeek altijd aan de veenrand bleef liggen. Bij beide nederzettingen werden telkens kleine delen van het veen door middel van opstrekkende veenakkers ontgonnen. Hier werd akkerbouw bedreven, terwijl de groenlanden voor veeteelt in de richting van de beken lagen. Uit de Middeleeuwen zijn nog een aantal stenen veenwegen teruggevonden (onder meer bij Buinen).

Nieuwe tijd (1500-1800)

Bij Roswinkel en in de oostelijke groenlanden van het Schoonebeekerdiep werden sinds de 17e eeuw ossen gefokt. Deze kwamen uit Zuid-Zweden, Denemarken en Noord-Duitsland en werden in kudden naar het zuiden gedreven. In Schoonebeek speelde de bo(e), of veestal, daarbij een belangrijke rol. De ossen werden geweid in de groenlanden en ’s winters gestald in de bo, om vervolgens doorverkocht te worden. Zowel boeren uit Schoonebeek als uit Münsterland gebruikten deze groenlanden, waar dwars door het gebied De Twist in 1784 de staatsgrens werd getrokken. Dit leidde tot protesten van zich benadeeld voelende Schoonebeekers. De buren van Roswinkel op hun beurt hadden in deze periode tal van conflicten met de buren van Weerdinge.

In deze periode werden de meeste venen in het Drentse Mondengebied verdeeld over de markegenoten en veelal verkocht aan derden. Bij Drouwenerveen en Buinerveen werd begonnen met commerciële vervening. De afvoer van de turf werd steeds meer een probleem, nu de Hunze of Oostermoersche Vaart als vaarwater problematisch werd. Lange tijd waren er ook geschillen met het gewest Groningen over het precieze verloop van de grens. De Semslinie werd meestal aangehouden als grens. In het laatste kwart van de 18e eeuw begon de stad Groningen met het graven van het Stadskanaal. Dit was bedoeld voor de afvoer van Groninger én Drentse turf. Het betekende ook dat de veengebieden van de marken Drouwen, Buinen en daarna Exloo en Valthe aan snee konden komen. Dat gebeurde inderdaad vanaf 1820, toen het Stadskanaal elk jaar een stukje verder zuidoostwaarts werd gegraven. Hier ontstonden nederzettingen als Drouwenermond, Nieuw-Buinen, Eerste en Tweede Exloërmond alsmede Valthermond.

Moderne tijd (1800-1950)

Begin 19e eeuw kwamen uit de Duitse grensstreek steeds meer immigranten naar het Schoonebeeker Veld. Dit leidde tot de vestiging van de nieuwe randveenkolonie Nieuw-Schoonebeek. In tegenstelling tot de protestantse Schoonebeekers, waren de Nieuw-Schoonebekers katholiek. In 1849 verrees in de kolonie de eerste katholieke kerk.

Het grote hoogveengebied ten noorden van Oud- en Nieuw-Schoonebeek werd extensief beweid. Omdat de markegrenzen hier onduidelijk waren, werden ze door de verschillende buurschappen als gemeenschappelijke weiden (compascua) gebruikt. Roswinkel en Weerdinge hadden in de 15e en 16e eeuw een compascuum. In de 18e en 19e eeuw kwam het tot internationale conflicten over de compascua. Tussen 1764 en 1784 werd de grens tussen Drenthe en Münsterland officieel bepaald en dat betekende dat sommige weiden van de buurschappen plotseling aan de andere kant van de grens lagen. Sommige ‘Drentse’ delen gingen naar Duitsland, terwijl Munsterscheveld nu aan Drentse kant van de grens kwam.

Voordat de venen hier aan snee kwamen, werd er boekweit geteeld. Zo ontstonden kleine nederzettingen als Nieuw-Dordrecht, Erica, Oranjedorp, Munsterscheveld en Barger-Compascuum. In het deelgebied de Oude Veenkoloniën werd in de eerste helft van de 19e eeuw het Stadskanaal verlengd, totdat in 1858 Ter Apel werd bereikt. De vervening aan zowel de Groningse als Drentse kant trok met het kanaal mee zuidoostwaarts. De Drenten wilden de turf uit Zuidoost-Drenthe, het laatste onaangesneden veengebied, via eigen kanalen afvoeren naar de afnemers in het westen van het land.

Daarom werden twee kanalen aangelegd, het Oranjekanaal (gereed in 1858) en de Verlengde Hoogeveensche Vaart (gereed in 1860). Later kwam er ook een afvoerkanaal naar Coevorden (Stieltjeskanaal), terwijl de Verlengde Hoogeveensche Vaart werd verlengd naar de Duitse grens (Van Echtenskanaal). In het noordelijk deel van de Jonge Veenkoloniën werd het Stadskanaal verlengd naar het zuiden onder de naam Stads-Compascuumkanaal, terwijl een mond van het Stadskanaal naar Nieuw-Weerdinge werd gegraven (Weerdingermond). In de 20e eeuw tenslotte werd het Dommerskanaal verlengd in het Amsterdamsche Veld, terwijl het Scholtenskanaal het Stads-Compascuumkanaal met de Verlengde Hoogeveensche Vaart verbond.

Langs vrijwel al deze kanalen ontstonden nederzettingen van verveners, veenarbeiders en middenstanders. Het eerst in Nieuw-Amsterdam, Erica en Nieuw-Weerdinge, even later ook in Klazienaveen en Emmer-Compascuum. Vooral in de 20e eeuw kwamen er ook grote nederzettingen in Barger-Compascuum, Emmer-Erfscheidenveen, Zwartemeer en kleinere plaatsen als Amsterdamscheveld, Barger-Oosterveen, Barger-Oosterveld en Weiteveen. De vervening begon altijd dichtbij de afvoerwegen, de wijken en de kanalen en strekte zich steeds verder op. Eind 19e eeuw werden als nevenverschijnsel van de vervening de eerste turfstrooiselfabrieken in de oudste nederzettingen opgericht.

Na 1900 begon de kunstmest zijn zegetocht in Drenthe. De uitgeveende dalgronden konden nu binnen korte tijd tot vruchtbare akkerlanden worden omgezet. Dat gebeurde vooralsnog alleen bij de kanalen en wijken, waar ook grote boerderijen van het Oldambtster type verrezen. Pas toen rond 1920 de eerste mechanisatie in de veenderijen optrad, werd het tempo waarin de verveningen plaatsvond aanzienlijk hoger. Tegen die tijd was al duidelijk dat de turf het als brandstof moest afleggen tegen steenkool en gas. De kostprijs van de turf was te hoog en er ontstond een massale werkloosheid. De gemeente Emmen kreeg het predicaat ‘probleemgebied’ en kon daar maar niet van afkomen. Hoewel de vervening nog tot in de jaren 1960 doorging, bleven de bestuurders naarstig zoeken naar alternatieve werkgelegenheid. Die kwam er ook, vooral in de vorm van industrie. In 1950 was de werkloosheid desondanks nog de hoogste binnen Drenthe.

Actuele vraagstukken

Na de Tweede Wereldoorlog probeerde de Zuidoosthoek het imago van ‘veen’, turf’ en ‘armoede’ zo snel mogelijk van zich af te schudden. De gemeente Emmen probeerde met behulp van de rijksoverheid tot versnelde industrialisatie over te gaan. Rond 1960 leek deze operatie gelukt. Er kwamen belangrijke filiaalvestigingen van onder meer Aku, Honeywell en Draka in Emmen en enkele andere grote dorpen in de gemeente.

Vanaf de jaren vijftig streefden de diverse overheden steeds meer naar centralisatie in Emmen zelf. Emmen werd door de bouw van grote wijken een forse stad, terwijl de ‘buitendorpen’ nauwelijks groeiden. Alleen Emmer-Compascuum en Klazienaveen kregen nog enige industrie. Daarom werd in de laatste twee plaatsen, in plaats van lintbebouwing, een meer stedelijk ogende kernvorming gerealiseerd.

Toen de economische groei rond 1970 stopte, verdween een aantal van deze industrieën weer uit de gemeente. De werkloosheid werd snel groter en Emmen leek opnieuw een probleemgebied te worden. Velen die in de buitendorpen woonden, werkten namelijk in deze vorm van bedrijvigheid. Na de jaren 1980 bleek de economische schade van het wegvallen van de industriële bedrijfsvak uiteindelijk enigszins mee te vallen.

Thema's

Herinrichting van Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën

In de Jonge Veenkoloniën werden na de vervening landbouwgebieden ontwikkeld. De percelen waren gemiddeld vrij groot, zeker in vergelijking met ‘zand-Drenthe’. Daar waren al sinds de jaren twintig van de 20e eeuw ruilverkavelingen aangevraagd en sinds de jaren vijftig ook steeds vaker gehonoreerd. Tegen 1970 wilden de agrariërs in de Jonge Veenkoloniën ook een ruilverkaveling. Alle wijken en sloten stonden er een goede ontsluiting in de weg. Omdat bovendien steeds meer wijken dichtgegooid werden, ontstonden er problemen met de afwatering.

Van meet af aan werd de zaak in een ruim perspectief gezet. In 1970 werd door de samenwerkende landbouworganisaties met de betrokken gemeenten en de provincies Drenthe en Groningen de Reconstructiecommissie voor de Veenkoloniën opgericht. Onder regie van het ministerie van Landbouw en Visserij ontstond even later de Herinrichtingscommissie van Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën. Het betrof in totaal 130.000 hectare, waarvan ongeveer de helft in de Oude en Jonge Veenkoloniën lag.

Deze commissie leidde tot de ontwikkeling van wat uiteindelijk geen megaruilverkaveling ten behoeve van de primaire sector was. Om de economie uit het slop te halen, werd gestreefd naar een herinrichting van de infrastructuur ten behoeve van de gehele samenleving. Naast versterking van de economie kwamen zo ook cultuur en milieu op het programma. De Herinrichting sloeg niet totaal nieuwe wegen in, maar structureerde de maatschappelijke vernieuwing van het Veenkoloniale ‘probleemgebied’.Er werden wegen aangelegd, dorpshuizen gebouwd en het tuinbouwgebied van Erica en Klazienaveen kreeg een nieuwe impuls. Bovendien werd ‘nieuwe natuur’ op oud hoogveen aangelegd, zoals het Oosterbos bij Barger-Oosterveld en Nieuw-Dordrecht. In het Drentse Mondengebied vond vrijwel geen natuurontwikkeling plaats.

Veenpark

In 1966 vierde Barger-Compascuum zijn honderdjarig bestaan. Ter gelegenheid daarvan werd ’t Aole Compas gebouwd, dat een beeld moest geven van een Veenkoloniale nederzetting anno 1866. Het werd zo’n groot succes dat besloten werd dit ‘dorp’ te laten staan. Het werd de start van het veenmuseum ’t Aole Compas. Ten behoeve van dit museum werd steeds meer grond aangekocht van de Maatschappij Klazienaveen, vroeger onderdeel van het imperium van Willem Albert Scholten.

Het museum werd aanvankelijk geëxploiteerd door de gemeente Emmen. In het kader van de Herinrichting Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën kreeg het steun van het rijk. Het museum werd geprivatiseerd en kreeg de naam Aards Paradijs. Momenteel heet het museum De Wereld van Veen. Hier zijn plaggenhutten nagebouwd, bedrijfjes, een kerk, een school, een café en een aardappelmeelfabriek. In het hoofdgebouw is een expositie over veen en vervening te bezichtigen. Het veenpark beslaat nu 160 hectare, voor een belangrijk deel een hoogveenreservaat dat net als het gehele park en de gebouwen eigendom is van Staatsbosbeheer.

Vlakbij het veenpark bezat de Maatschappij Klazienaveen, nu Berkenrode geheten. nog 1000 ha grond. In 1998 begon zij met de ontwikkeling van een landgoed, ook in het kader van de Herinrichting. De helft van de oppervlakte van landgoed Scholtenzathe wordt gebruikt voor traditionele landbouw, 40 ha voor biologische landbouw, 270 ha voor bos en langs het Scholtenskanaal worden 24 buitenplaatsen gepland. Ook de reconstructie van het veenriviertje de Runde past in dit landschapsplan. In totaal werd 32 miljoen euro geïnvesteerd in het herstel van de vaarverbinding Erica-Ter Apel, waarvan de Runde deel uitmaakt. Het eerste deel van deze 20 km lange vaarweg, Ter Apel-Veenpark via onder meer de Scholtensvaart, is gereed en in het voorjaar van 2013 staat het gehele traject open voor de recreatievaart.

Bargerveen

In 1968 kocht Staatsbosbeheer de eerste 66 ha hoogveen van de Maatschappij Klazienaveen in deelgebied de Jonge Veenkoloniën, het Meerstalblok bij Zwartemeer. Dit was het begin van de ontwikkeling van het hoogveenreservaat Bargermeer. Al snel werden honderden hectares bijgekocht. Het Meerstalblok was het enige onvergraven stuk hoogveen, met enkele meerstallen er in. Oorspronkelijk lag het in de bedoeling een reservaat van 4000 ha in te richten. Na protesten van verveners, landbouwers en vakbonden werd dit tot ruim 2000 ha teruggebracht.

In de loop der jaren werden delen van Amsterdamsche Veld en het Schoonebeekerveld aangekocht. Dit waren gebieden waarvan de bovengrond ten behoeve van de turfstrooiselindustrie waren afgegraven. Zo ontstond het ruim 2000 ha grote Bargerveen, met de onderdelen Meerstalblok, Amsterdamsche Veld en Schoonebeekerveld. Het gebied is in beheer bij Staatsbosbeheer. Op het Amsterdamsche Veld wordt door vernatting en begrazing een nat hoogveen herschapen. Op het Schoonebeekerveen wordt juist de cultuurhistorie benadrukt, met huisplaatsen, graslandjes, bosjes en boomgaardjes. Sinds 2006 maakt het Bargerveen deel uit van het Internationaler Naturpark Bourtanger Moor-Bargerveen.

Literatuur

M. Boelens, De geschiedenis van drie Dordsebruggen & één trambrug Alkmaar, 2009

J. Dost, 150 jaar Eerste Exloërmond 1852-2002 s.l., 2002

W. en D.P. van Dijk, 125 jaar Zwartemeer: op Barger-Oosterveen. Zwartemeer, 2001

M.A.W. Gerding et al. (red.), Geschiedenis van Emmen en Zuidoost-Drenthe. Meppel, 1989

M.A.W. Gerding et al., Ach Lieve Tijd: Emmen en Zuidoost-Drenthe. Zwolle, 2003

H. Gras (red.), Rond Hunze en Hondsrug. Geschiedenis van Odoorn. Odoorn, 1997

J. Hadders, 100 jaren Valthermond. Emmen, 1953

H.G. Hurenkamp, Een lang slepend Gronings-Drents conflict: het liquidatieproces van de stadsbezittingen en –rechten van de gemeente Groningen. s.l., 2003

A.C. van Heesewijk, Erica; honderd jaar 1863-1963 s.l., 1963

S. van der Hoek, "Door den vreemd'ling met eerbied te naderen”: tijdsbeeld van een veenkolonie Groningen 1979  (over Emmer-Compascuum)

S. van der Hoek, Tweelingdorp aan de Vaart : 125 jaar Nieuw-Amsterdam/Veenoord. Nieuw-Amsterdam, 1985

H.H. Schut et al., 125 jaar Nieuw-Weerdinge : geschiedenis van een veenkoloniaal dorp in vredes- en oorlogstijd. Nieuw-Weerdinge, 1997

H. Schuurman en J. Pranger, Nieuw-Buinen, waar de turf verdween: een historisch fotoboek over Nieuw-Buinen en Buinerveen. Stadskanaal, 1989

J. Schuurman, 100 jaar Dorpsbelang 2e Exloërmond, 1909-2009: een dorpsgeschiedenis. Exloërmond, 2009

G. Steenhuis, 145 jaar Barger-Compascuum: over buurten, bedrijven en bewoners. Barger-Compascuum, 2011

K.P. Timmer, De Drouwener venen: de geschiedenis van de ontwikkeling van een hoogveengebied van ca. 1650 tot 1914. Borger, 1992

K. Timmer en G.E. de Vries, 400 jaar venen rondom Emmen. Bedum, 2011

H. van der Veen, Veenkoloniën. Strepen aan het water. Bedum, 2011

G. van Vegchel, De metamorfose van Emmen: een sociaal-historische analyse van twintig kostbare jaren, 1945-1965. Amsterdam, 1995

G.E. de Vries, 200 jaar Veenkoloniën van Borger en Odoorn. Bedum, 2005

Organisaties en Links

www.emmen.nl

www.emmen.nu

www.historisch-emmen.nl

www.rtvemmen.nl

www.borger-doorn.nl

www.stichtingharmtiesing.nl

www.hvcarspeloderen.nl(historische vereniging Odoorn)

www.collectie-brands.nl

http://werkgroep-sconebeck.nl

www.dorpsbelangennieuwbuinen.nl

www.nieuw-weerdinge.com

www.roswinkel.com

www.emmer-compascuum.com

www.barger-compascuum.com

www.veenpark.nl

www.dorpsblad.com(Zwartemeer)

www.klazienaveen.nl

www.nieuw-amsterdam.nl

www.weiteveen.info

http://dorpsbelangenschoonebeek.nl/tag/dorpsbelangen/

www.nieuw-schoonebeek.com

www.hetveenland.nl