Notice: Trying to get property of non-object in /home/landschap/domains/landschapsgeschiedenis.nl/public_html/deelgebieden.php on line 38
Landschaps Geschiedenis

Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
Eelke Hoekstra as koaiker yn 1992
Zilverplevier
Eelke Hoekstra as koaiker
Gezucht vanaf akker op Armhuis
Overgang zeedijk
Wikelslân
Stationsweg
Ringdobben bij stormvloed
Reid om 'e Krite
Lage kwelder
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

Auteur: Gerben de Vries 

Deelgebied Oostergo is een dunbevolkt landschap met oeroude terpen. Het is een negen tot maximaal vijftien kilometer brede kleistrook ten oosten van de voormalige Middelzee, vandaar de naam Oostergo. Op de kwelderwallen langs de oude kustlijn van de Middelzee en de Waddenzee wordt op de lichte zavelklei akkerbouw bedreven. Ten zuiden daarvan ligt een gordel zware knipklei en hier overheerst de veeteelt. De steden Leeuwarden en Dokkum zijn veruit de grootste nederzettingen van het deelgebied, dat verder veel kleine dorpen telt. Buiten de Waddenzeedijk liggen in het noordwesten de hoog opgeslibde kwelders, tot soms een kilometer breed.


Deelgebied Oostergo wordt in het noorden begrensd door de Waddenzee en in het oosten door deelgebieden Lauwersland en de Noordelijke Friese Wouden. In het zuiden ligt deelgebied Het Lage Midden en in het westen de deelgebieden Westergo en Het Bildt.

Kenmerken en Bijzonderheden

  • Terpenlandschap met kwelderwallen
  • Dijkenlandschap
  • Brak- en zoutwater-getijdenlandschap (kwelders)
  • Stedelijk en industrieel landschap (Leeuwarden, Dokkum)
  • Terpdorpen
  • Dijkdorpen (Wierum)
  • Weg- of streekdorpen met opstrekkende verkaveling
  • Kop-(hals)-rompboerderijen
  • Wegen (N355, N356, N357, N358, N361, N393 plus snelweg N31)
  • Natuurgebieden (kwelders van Noard-Fryslân Bûtendyks, tussen Holwerd en Zwarte Haan; Dobbe Stienser Aldlân, Peazemerlannen)
  • Bossen (Leeuwarderbos, Stienser bos, Camminghahof Ferwerd)
  • Eendenkooien (Hallum, Birdaard, Ternaard, ten noorden van Van Harinxmakanaal)
  • Beschermd stadsgezicht (Dokkum sinds 1974)
  • Beschermde dorpsgezichten (Holwerd, Metslawier en Paesens-Moddergat, Birdaard, Ferwerd, Hallum, Hogebenintum, Janum, Jelsum, Warstiens, Warga)
  • States en stinzen (Martenastate Cornjum, Dekemastate Jelsum; Harstastate) Hogebeintum met landschapstuin van Lucas Roodbaard)
  • Boeddhistische tempel (Hantum)
  • Crematorium (Goutum)

Landschapsopbouw

Het landschap van deelgebied Oostergo is gevormd door de zee, zowel de Waddenzee als de inmiddels ingepolderde Middelzee. Langs deze zeekusten lagen kwelderwallen waar terpen werden opgeworpen en later grotere nederzettingen ontstonden.  Aan de Waddenkust verrezen terpenslieren als Hijum-Hallum-Marrum-Ferwerd-Blija-Holwerd-Ternaard en aan de Middelzee Leeuwarden-Jelsum-Cornjum-Stiens. Op de lichte zavelkleigronden wordt voornamelijk akkerbouw bedreven. Achter deze kwelderwallen werd zware knipklei afgezet. Aan weerszijden van de Dokkumer Ee tussen Leeuwarden en Dokkum werden in de loop der tijd losse terpen aangelegd. Langs de Dokkumer Ee ligt nog de kleine kwelderwal met de terpen van Lekkum, Wijns en Birdaard. In deze contreien wordt de grond vrijwel uitsluitend gebruikt als grasland. De terpdorpen zijn hier in het algemeen beduidend kleiner.
Door inklinking is ook de kwelderwal gedaald. De gemiddelde hoogte van het land ligt op ongeveer 0.50 cm + N.A.P., met enkele uitschieters naar rond de + 1 m bij Ferwerd en vooral Dongeradeel. De hoogste terp van Friesland is die van Hogebeintum, 9 meter hoog.

Het zuiden van Oostergo wordt doorsneden door de semi-snelweg tussen Leeuwarden en Drachten, de N31. De terpenslierten in het boorden van het deelgebied en de overige nederzettingen worden verbonden door de N356,  N357, N358, N361 en N393. De N355 volgt het tracé van de weg naar Groningen.
Vanaf Leeuwarden sluit het van Harinxmakanaal aan op het Prinsen Margrietkanaal, dat verder door deelgebied de Noordelijke Friese Wouden loopt en in de provincie Groningen de naam Van Starkenborghkanaal draagt. De Dokkumer Ee van Leeuwarden naar Dokkum doorsnijdt het deelgebied in noord-noordoostelijke richting. Vanuit de terpensliert in het noorden leidt een serie (trek-)vaarten naar de Dokkumer Ee. Deelgebied Oostergo is een open terpenlandschap met vooral blokverkaveling. In het gebied bevinden zich geen grote aaneengesloten natuurgebieden. Het groen beperkt zich meestal tot een bos of bosje bij de grotere plaatsen.

Indeling

Deelgebied Oostergo behoort tot de gemeenten Boarnsterhim (deels), Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Ferwerderadeel, Tietjerksteradeel (deels), Dongeradeel (inclusief stad Dokkum).

Deelgebied Oostergo behoort tot het in 2004 gevormde Wetterskip Fryslan. Dit provinciale waterschap werd gevormd uit vijf boezemwaterschappen, waaronder Lauwerswâlden, die in 1997 werd gevormd uit diverse inliggende waterschappen in deelgebied Oostergo.  

In het Streekplan Fryslan 2007 (‘Om de kwaliteit fan de Romte) behoort deelgebied Oostergo tot Noordoost-Fryslan en Midden-Fryslân.

Woonkernen

Gemeente Leeuwarden: Leeuwarden, Goutum, (Hempens), Lekkum, Miedum, Swichum, Wirdum, Wytgaard
Gemeente Leeuwarderadeel: Britsum, Cornjum, Feinsum, Hijum, Jelsum, Oude Leije, Stiens.
Gemeente Boarnsterhim (deels): Warga en Wartena.
Gemeente Ferwerderadeel: Birdaard, Blija, Ferwerd, Genum, Hallum, Hogebeintum, Janum, Jislum, Lichtaard, Marrum, Reitsum, Wanswerd.
Gemeente Tietjerksteradeel (deels): Bartlehiem.
Gemeente Dongeradeel: Aalsum, Bornwird, Brantgum, Dokkum, Foudgum, Hantum,  Hantumhuizen, Hantumeruitburen, Hiaure, Holwerd, Jouswier, Lioessens,
Metslawier, Nes, Niawier, Paesens- Moddergat, Morra, Oosternijkerk, Oostrum, Raard,  
Ternaard, Wetsens, Waaxens, Wierum
(de tot de gemeente Dongeradeel behorende dorpen Anjum, Ee, Engwierum en Oostmahorn worden bij deelgebied Lauwersland gerekend).
Hogebeitum (www.toonbeeldbank.nl)
www.toonbeeldbank.nl/ Frans de Vries

Landschapsgeschiedenis

Geologie

Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (250.000-130.000 jaar geleden) werd geheel Friesland bedekt door dikke lagen ijs. Gletsjertongen schuurden voor het vanuit Scandinavië schuivende ijs brede, ondiepe dalen uit. Een daarvan was de Boorne, die naar de latere Waddenzee uitstroomde. In de ijstijden werden lagen keileem en dekzand afgezet. Rond 8000 jaar v.Chr. begon het huidige geologische tijdperk, het Holoceen. Door de stijgende temperaturen smolten de ijskappen en de zeespiegel steeg. De zee zette in noordelijke en westelijke delen van Friesland kleipakketten af. Een groot deel van dit gebied werd kwelderland, een waddenzee met diepe geulen en zandplaten. De Oer-Boorne, die in deze periode nog wat meer westelijker lag, werd omzoomd door relatief hoog gelegen kwelderwallen. Aan de oostelijke oever van deze rivier ontstond het Hoog van Oostergo. De strandwal verder noordwaarts werd door rivieren als de Lauwers en de Boorne doorbroken en zo werden de Waddeneilanden gevormd. Ten zuiden van Oostergo werd een groot deel van Friesland bedekt door een laag hoogveen.

Vroegste bewoning

Bij Bornwird (ten westen van Dokkum) zijn ploegsporen in een akker van 5000 jaar oud teruggevonden, de oudste van Friesland. Toch was in die tijd hier nog geen sprake van permanente bewoning. Op de kwelders zal hooguit gejaagd en geweid zijn. Toch zijn er bij Oostrum in Dongeradeel in 2006 al restanten van een nederzetting gevonden uit ongeveer 3000 v.Chr, van de Trechterbekercultuur. Na  de 7e eeuw v.Chr.  kwamen vanuit de zandgebieden van het Drens-Friese Plateau en misschien Noordwest-Duitsland en het verdrinkende Noord-Holland de eerste blijvende bewoners naar Oostergo, met de kanttekening dat de kwelders van Westergo iets eerder gekoloniseerd werden. Door de stijging van de zeespiegel werden zij enige tijd later gedwongen de kwelder- en oeverwallen op te hogen. Zo ontstonden de eerste huisterpen die in veel gevallen uitgroeiden tot dorpsterpen. Dit gebeurde het eerst in het zuidelijk en westelijk deel van Oostergo. Aan de Waddenkust verrezen terpenslieren als Hijum-Hallum-Marrum-Ferwerd-Blija-Holwerd-Ternaard en aan de Boorne (later de Middelzee) Leeuwarden-Jelsum-Cornjum-Stiens. De terp van Hogebeintum, dat toen nog aan zee lag, was met bijna 10 meter de hoogste.

In de Romeinse Tijd was Oostergo vrij dicht bevolkt. Na de terpenreeksen op de kwelderwal werden ook overal terpen en wierden in het achterland opgeworpen. Dorpsnamen als Metslawier en Niawier getuigen hiervan. Andere voorbeelden zijn de terpenreeks Fougum-Brantgum-Waaxens tussen Holwerd en Dokkum en de zogenaamde Vlieterpen in de gemeente Ferwerderadeel (Lichtaard, Reitsum, Genum, Jislum; soms wordt ook Janum hiertoe gerekend). Vanuit het zuiden van Oostergo werd bovendien vanaf het begin van de jaartelling de zuidelijke veengebieden gekoloniseerd. Belangrijke archeologische opgravingen in deze hoogveenranden van Oostergo werden verricht in Hempens-Teerns en Wartena-Warstiens (beide ten zuidoosten van Leeuwarden). In de Volksverhuizingstijd verdween een groot deel van de bevolking Frisia en ook Oostergo. Er zijn geen sporen van geweld gevonden, dus zal het waarschijnlijk om een vrijwillige emigratie zijn gegaan. In ieder geval was Oostergo rond 600 n.Chr. weer bewoond, vermoedelijk door migranten uit Noord-Duitsland. Uit deze periode stammen onder meer een vergulde zilveren mantelspeld en een ringfibula met gouden beslag uit Hogebeintum.

Middeleeuwen

Vanaf de 8ste eeuw werd Frisia en ook deelgebied Oostergo gekerstend. Na de Slag aan de Boorne (de grens tussen Westergo en Oostergo) in 734 stond Friesland onder Frankisch bewind. De Franken probeerden door middel van missionarissen het noorden te bekeren tot het christelijke geloof. Na de moord op Bonifatius in 754 werd de kerstening van hogerhand doorgezet. In de grotere terpdorpen verrezen de eerste kerkjes, veelal nog van hout. Veel goederen en landerijen werden aan verafgelegen kloosters als Fulda en Werden in de Duitse landen geschonken. Oostergo werd vanaf die tijd een nog door lage dijkjes gefixeerd kwelderlandschap, dat rijk werd door de internationale doorvoerhandel. In de 11e en 12e eeuw werden vervolgens dijken rond geheel Westergo en Oostergo gelegd, dus ook langs de Middelzee. In deze periode werden veel kloosters in Oostergo gesticht, vooral aan de randen van het gebied. De belangrijkste kloosters waren die van Ferwerd, Dokkum en Hallum uit de 12e eeuw, terwijl er ook kloosters in Niawier, Bergum, Leeuwarden en Metslawier verrezen. Een teken van zowel bloeiende geestelijk leven als een gezonde economie was ook de vaak door kloosters geëntameerde verstening van de dorpskerken vanaf de 11e eeuw. Hiervan zijn er nog veel pareltjes bewaard gebleven in Oostergo.

Wiel bij Engwierum (www.toonbeeldbank.nl)


Naast de radiaire, blokvormige en langwerpige terpen waren er ook zogenoemde handelsterpen. Zij ontstonden in het begin van de handelsperiode van de Friezen, rond 800 n.Chr., en lagen meestal op een oeverwal langs een kreek of bij een zeearm vlak achter de kustlijn. Zij hadden een langgerekte vorm met een centrale weg. Leeuwarden was zo’n handelsterp, dat aan de monding van de Zuider Ee aan de Middelzee lag. Dokkum op zijn beurt lag dichtbij de monding van de Noorder Ee in de Lauwerszee. In de 13e eeuw werden de Noorder en de Zuider Ee door het graven van een nieuw kanaal tussen Tergracht en Birdaard met elkaar verbonden en kreeg het water de benaming Dokkumer Ee. Leeuwarden en Dokkum zouden in de Middeleeuwen uitgroeien tot de enige Friese steden van Oostergo. Toen lag Leeuwarden overigens al niet meer aan zee, want eind 13e eeuw waren de verlanding en de successievelijke inpolderingen van de Middelzee al voorbij deze stad gekomen. Door de inpoldering van Het Bildt, enkele eeuwen later, werd Leeuwarden definitief een landstad.


www.toonbeeldbank.nl/ Frans de Vries

Nieuwe Tijd (1500-1800)

Leeuwarden en Dokkum waren eind 15e eeuw omgrachte steden geworden. In 1498 was de eeuwenlange periode van het heerloze ‘vrije Friesland’ met de verovering door Albrecht van Saksen voorbij. Friesland werd een centraal bestuurd gewest met Leeuwarden als hoofdstad. Het was in de 16e eeuw nog steeds een welvarend gewest. Tijdens de beginjaren van de Opstand of de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) lag het enkele decennia in de frontlinie, maar deelgebied Oostergo ondervond nauwelijks problemen. Leeuwarden en Dokkum werden voorzien van vestingmuren, die in Dokkum nog voor een groot deel bewaard zijn gebleven. Leeuwarden werd het centrum van bestuur en rechtspraak van het gewest Friesland, terwijl hier ook een prinselijk hof werd gevestigd. Dankzij de stadsuitbreiding – de ruime stadsgracht van eind 15e eeuw – en de sloop van de katholieke kloosters door het protestantse bewind was de stad groot genoeg om de bevolkingsgroei op te vangen. Dokkum was aanvankelijk de zetel van de Friese Admiraliteit, maar ondervond steeds meer problemen met de verlanding van het Dokkumer Grootdiep. In 1644 werd de zetel verplaatst naar Harlingen en in 1729 werd het Grootdiep afgedamd en was Dokkum geen zeestad meer.

De Middeleeuwse stinzen verloren in de 16e en vooral 17e eeuw hun militaire betekenis. Vele werden omgebouwd tot adellijke woonhuizen of states. De meeste stinzen en states van Friesland stonden in deelgebied Westergo, maar ook in Oostergo waren er vele te vinden.
De adel domineerde het platteland sterk en in veel dorpen stonden meerdere van dergelijke woonhuizen. Fraaie, bewaard gebleven, voorbeelden zijn de Harstastate bij Hogebeintum en de Dekemastate bij Jelsum. Na het verdwijnen van Friese stadhouderlijke hof van Leeuwarden naar ’s Gravenhage in 1747, vertrok echter een belangrijk deel van de elite naar andere plaatsen in Nederland. Van de sindsdien verdwenen states is soms de omgrachting van het terrein nog waarneembaar, net als het hoge, opgaande geboomte. Van de Sjuxmastate te Waaxens is bovendien de toegangspoort blijven staan. Ter ere van het einde van de Tachtigjarige Oorlog werd in hoofdstad Leeuwarden al in 1648 begonnen met de aanleg van de Prinsentuin, dien overigens pas in 1795 vrij toegankelijk werd.

Op de flanken van de terpen en de kwelderwallen van Oostergo werd akkerbouw bedreven. De lagere gelegen kwelderbekkens, bedekt met kalkarme knipklei, werden gebruikt als wei- en hooilanden. Namen als Holwerdermieden , Hogebeintumer Mieden en Marrumer Mieden getuigen hiervan. Het ging de landbouw in de 17e eeuw goed, reden waarom er ook in Oostergo land werd ingepolderd. Dat gebeurde tussen Blija en Dekemastate bij JelsumAnjum en betrof zowel enig buitendijks land als het indijken van meren (Oosterbeintum Marren). Zuidelijk van Leeuwarden werden in de 17e en 18e eeuw drie polders drooggemalen: de Hempensermeerpolder, het grote Wargaastermeer en de Lytse Mar (Kleine Meer) ten oosten van Warga. Typerend is hun zeer regelmatige blokverkaveling. Door de betere waterbeheersing in deze periode kregen sommige terpdorpen dochternederzettingen, zoals Hantumerhoeke, Hantumerhuizen en Hantumeruitburen bij Hantum in Dongeradeel. Bij de noordelijke terpenreeks Stiens-Ternaard werden vanaf de 16e en vooral de 17e eeuw trekvaarten naar de Dokkumer Ee gegraven. Tot diep in de 19e eeuw ging tenslotte het meeste vervoer ook in Oostergo over het water. Tussen Leeuwarden en Groningen werd eind16e eeuw bovendien de Kolonelsvaart gegraven, terwijl Dokkum een eeuw later met de Stroobosser Trekvaart een verbinding kreeg met dit vaarwater.




www.toonbeeldbank.nl/ Frans de Vries


Moderne Tijd (1800-1950)

In tegenstelling tot Holland bleef de economie van Friesland in de eerste helft van de 20ste eeuw bloeien. Dat stond in schril contrast met het verdwijnen van de adel uit Friesland, zeker na de grondwetswijziging van 1848. Vaak behielden ze wel de grond, maar lieten in plaats van de afgebroken state een boerderij bouwen. Daardoor drukten absenteïsme en pacht zwaar op de Friese landbouw. In 1848 ook veranderden de grietenijen in gemeenten en begon de gestage opmars naar het algemeen kiesrecht. De decennia daarvoor waren grote landwegen tot stand gebracht tussen hoofdstad Leeuwarden en de plaatsen Groningen, Steenwijk en Harlingen. De verbinding met Dokkum volgde snel. Na 1848 kwamen er door provinciale subsidies ook talloze plattelandswegen tussen de kleinere nederzettingen tot stand. In de jaren 1860 bijvoorbeeld tussen Dokkum en Hantum. Een volgende verbetering van de infrastructuur was de aanleg van wegen en andermaal werd Leeuwarden de grote spin in het web. Tussen 1866 en 1885 kreeg het spoorwegverbindingen met Groningen, Meppel en Stavoren. De kleinere plaatsen kregen soms een tramweg, zoals Dokkum in 1880 met Veenwouden. Pas in 1901 werd noordelijk Oostergo beter ontsloten door het zogeheten ‘Dokkumer Lokaaltje’ tussen Leeuwarden en Anjum. De trein reed over Stiens, Ferwerd en Ternaard, Dokkum, Metslawier naar het noordoostelijk Anjum.

Inmiddels werd het Friese platteland geteisterd door een ramp. Veel lokale nijverheid was al verdwenen naar de stad, maar de echte klap moest nog komen. Oostergo was een van die gebieden in Friesland die zwaar door de landbouwcrisis (1878-1895) werden getroffen. Het was allereerst een crisis in de graanteelt, want Nederland kreeg nu in toenemende mate te maken met de concurrentie van goedkoop graan uit de Verenigde Staten en Rusland. Maar ook de traditionele zeer omvangrijke export van boter naar Groot-Brittannië en andere landen stagneerde, vooral omdat er op grote schaal geknoeid werd met de kwaliteit van de zuivelproducten. Oostergo, met zowel akkerbouw als veeteelt, werd dus dubbel getroffen. Bijzondere veel inwoners emigreerden naar onder meer Holland en de Verenigde Staten, anderen degradeerden van kleine boer tot landarbeider.

De crisis in de veehouderij – vooral de boterbereiding – werd uiteindelijk met succes bestreden. De akkerbouw richtte zich in Oostergo voortaan vooral op aardappelen (nu Bildstar, Irenes en Borgers-Eigenheimers). Spectaculairder nog was het herstel van de veeteelt. In 1879 werd het Friesch Rundveestamboek opgericht, om de kwaliteit van de veestapel te verbeteren. Enkele jaren later volgde vanuit Warga (ten zuidoosten van Leeuwarden in deelgebied Oostergo) de opmars van de coöperatieve zuivelfabrieken, die een betere kwaliteit boter leverden dan die van de boerderij zelf. In Oostergo verrezen vanaf eind 19e eeuw zuivelfabrieken in Bergum. Birdaard, Betterwird, Dokkum, Jelsum, Leeuwarden, Lollum, Metslawier, Morra-Lioesens, Roordahuizum, Stiens, Warga, Wartena en Wirdum. In de grotere plaatsen kwamen overigens ook particuliere zuivelfabrieken, maar ook die boden de boeren veel geld voor hun melk. De zuivelfabrieken lagen vaak aan het water, want de melk werd per melkboot aangevoerd. Het was de triomf van de coöperatieve gedachte, waar niet alleen gezamenlijk kunstmest en zaaigoed werd aangekocht, maar ook allerlei coöperatieve verenigingen werden opgericht. Slotstuk was de bouw van coöperatieve boerenleenbanken in de grotere dorpen., begin 20ste eeuw. Pas met het uitbreken van de crisis van de jaren dertig van de 20ste eeuw kreeg de agrarische stand opnieuw zware klappen te verwerken, maar dat gold voor vrijwel de gehele samenleving.

Leeuwarden groeide intussen uit van een wat slaperige provinciestad tot de echte hoofdstad van Friesland. In 1850 was Leeuwarden na Groningen buiten ‘Holland’ nog de belangrijkste stad op het terrein van de handel. Door de agrarische crisis tussen 1878 en 1895 belandde de stad echter in een impasse. De handel in graan en zuivel stagneerde en door omvangrijke emigratie groeide de bevolking en daarmee het achterland niet. Anders dan in Noord- en Zuid-Holland en in mindere mate Groningen vestigde zich in Leeuwarden nauwelijks industrie.
Pas na 1920 kwam er een kentering. De stad, die eerst alleen via allerlei smalle stroken buiten de Middeleeuwse gracht was gegroeid, begon te expanderen. De bestuurlijke en juridische functies van Leeuwarden vroegen steeds meer menskracht. De stad telde twee grote provinciale kranten (Leeuwarder Courant en Friesch Dagblad), gevangenissen, ziekenhuizen, een gasfabriek, een elektrische centrale, belangrijke zuivelindustrie (Frico) en de daaraan gerelateerde Friesland Bank. In 1930 werd een uitbreidingsplan van kracht, die vooral na de Tweede Wereldoorlog werd uitgewerkt. Hoewel ook Drachten en Heerenveen na 1945 sterk opkwamen, bleef Leeuwarden het belangrijkste stuwende en verzorgende centrum van Friesland.

Actuele vraagstukken

Ruilverkaveling van de Polder van Oost- en Westdongeradeel

Met het aanleggen van dijken rond Oostergo in de Middeleeuwen waren niet meteen alle waterstaatkundige problemen opgelost. Weliswaar was het gevaar voor allesverwoestende stormvloeden een stuk minder geworden, de dreiging van het binnenwater bleef. De Dongeradelen moesten hun overtollige water afvoeren via de Dokkumer Ee en de Zuider Ee. Bij de sluis van Ezumazijl kon het water bij laag tij worden geloosd. Was dat niet het geval, dan moest het water in de Zuider Ee en het omliggende gebied worden opgeslagen. De waterschappen die in de 19e eeuw werden opgericht, probeerden met hun molens zoveel mogelijk water uit te slaan, maar het gevolg was vaak dat een volgende polder met de wateroverlast werd opgescheept. Als boezemwaterschap werd vervolgens de Polder van Oost-en Westdongeradeel opgericht. Maar vooral het gebied rond de Zuider Ee, de Kolken, bleef nog tot diep in de 20ste eeuw te laag om optimaal te profiteren van de bemaling.

Het inliggende waterschap De Kolken vroeg in 1939 een ruilverkaveling aan om deze problemen aan te pakken. Dat was voor Friesland een vroeg tijdstip. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog duurde het tot 1949 voordat door de boeren officieel gestemd werd over de ruilverkaveling ‘De Kolken’ (1000 ha). Hoofddoelen waren aanvankelijk een betere verkaveling, ontsluiting en waterbeheersing. Vrij spoedig na de aanvraag werd overgegaan tot uitvoering, door onder meer kaden langs de Zuider Ee aan te leggen en kilometers lange wegen aan te leggen. Aangemoedigd door het succes van het inliggende waterschap vroeg boezemwaterschap de Polder van Oost- en Westdongeradeel in 1955 ook een ruilverkaveling aan, voor in totaal 12.000 hectare. Hier zaten ook nog hectares in de gemeenten Dokkum, Dantumadeel en Ferwerderadeel bij. Zoals te doen gebruikelijk ging er een aantal jaren voorbij voordat er iets gebeurde. In 1966 werd evenwel de voorbereidingscommissie geïnstalleerd, die de verkaveling van nu 14.500 hectare in alleen de Dongeradelen moest begeleiden.

December 1970 werd voor de ruilverkaveling gestemd, een operatie die bijna 75 miljoen zou kosten. Hiervan zou tweederde door het rijk worden vergoed. De commissie had uitgedokterd dat een gemiddelde kavelgrootte van 4 hectare ideaal was. In totaal zouden ongeveer 25 nieuwe bedrijfsgebouwen buiten de dorpskernen worden gebouwd. In 1971 werd de voorbereidingscommissie (Plaatselijke commissie) geïnstalleerd, bijgestaan door deskundigen van het Kadaster, de Landinrichtingsdienst, Staatsbosbeheer, provincie Friesland en de landbouwvoorlichtingsdienst. Ook de belangen van natuur, recreatie en infrastructuur dienden te worden meegewogen. Het moeilijkste probleem was dat van een zo eerlijk mogelijk kavelruil, want de percelen hadden vanzelfsprekend alle een verschillende kwaliteit. Daarvoor moesten de eerste schattingen worden gemaakt, waarbij de gronden in verschillende klassen werden ingedeeld.

Gestart werd met de blokken Wierum en Anjum I en II (Anjummer- en Lioessenserpolder). Kavels werden geruild en vergroot en de grond verbeterd. De afwatering werd verbeterd, mede door het vergroten van de capaciteit van het gemaal bij Ezumazijl. In het landschapsplan werd onder meer bepaald dat de gebieden rond de eendenkooien in de Anjumer en Eester kolken en die van Ternaard en Engwierum in handen kwam van natuurbeschermingsorganisaties. Datzelfde was het geval bij een zout kwelgebied onder Ee en een weidevogelgebied bij Jouswier. Vanwege haar landschappelijke waarde werden de dijken langs het Dokkumer Grootdiep en het Engwierumer eiland niet rechtgetrokken. Waterlopen, dobben en terpen werden zoveel mogelijk ontzien. Bij nieuwe wegen werden bomen neergezet. Omdat er veel overheidssubsidie voor verkregen werd, verrezen her en der ligboxstallen. Al met al duurde de ruilverkaveling in plaats van de in 1971 geschatte tien jaar toch nog twintig jaar. In totaal bedroegen de kosten 118 miljoen gulden. In die twintig jaar waren er ongeveer 400 klein bedrijfjes verdwenen.

Behalve die van de Dongeradelen waren er nog vier andere ruilverkavelingen in deelgebied Oostergo. Tussen 1971 en 1981 werden de ruilverkavelingen ‘Ferwerderadeel’ (8070 ha, ook deels in Leeuwarderadeel), ‘Het Bildt’ (6830 ha, deels in Ferwerderadeel en Leeuwarderadeel), ‘Leeuwarderadeel’ (3900 ha) en ‘De Oude Jokse’ (6520 ha, deels in de gemeenten Leeuwarden en Idaarderadeel) door de betrokken agrariërs goedgekeurd. Tegen het einde van de 20ste eeuw waren de werken alle voltooid.

Leeuwarden

Tussen 1910 en 1950 groeide de Friese hoofdstad van 36.500 naar 79.000 inwoners. Dat kwam deels door de groei van de werkgelegenheid, maar ook door annexatie van een stuk van Leeuwarderadeel (Huizum). Hierdoor kreeg Leeuwarden er opeens 15.000 bewoners bij. Na 1950 stokte deze groei, zodat de stad begin 1971 bijna 89.000 inwoners telde. Dat zou lange tijd het hoogte bewonersaantal blijven. De woningbouw bleef achter en er ontstond een druk forensisme naar de buurgemeenten. Er kwam wel enige industrie naar Leeuwarden, maar de top van het aantal arbeidsplaatsen in die sector was al in 1965 bereikt. In de jaren zeventig kreeg de stad daarom een ietwat stoffig en saai imago, een echte provinciestad.

Meer succes had het Leeuwarder gemeentebestuur met het aantrekken van werkgelegenheid in de tertiaire sector. Rond 1970 begon de expansie van deze werkgelegenheid in de niet-industriële sectoren als het bank- en verzekeringswezen, de overheid en het onderwijs. Voor de gemiddeld goed betaalde werknemers in deze branches waren er aanvankelijk geen geschikte koop- en huurwoningen beschikbaar. Veel van de nieuwe Leeuwarders gingen daarom in de omringende buurgemeenten wonen, vooral in de oostelijke zandgebieden. Tussen 1970 en 1985 stagneerde de bevolking, maar daarna was er een opvallende revitalisatie van de Friese hoofdstad te zien. Keerpunt was het besluit van verzekeringsbedrijf AEGON de noordelijke activiteiten in Leeuwarden te concentreren, waarvoor het gemeentebestuur haar de Oude Veemarkt als vestigingsplaats had aangeboden.

Leeuwarden telt nu ruim 95.000 inwoners. In de stad is een aantal hoofd- en regiokantoren gevestigd van grote dienstverlenende ondernemingen. Te noemen zijn, naast AEGON, Friesland bank (sinds 2012 onderdeel van Rabobank), KPN, Rabobank, ING, ABN AMRO, FBTO en een gedeelte van Centraal Beheer Achmea). De 114 meter hoge Achemeatoren is beeldbepalend. De stad heet verder vestigingen van de Ministeries van Landbouw en Justitie, de Belastingdienst, Rijkswaterstaat, de douane, de Kamer van Koophandel, UWV en het Centraal Justitieel Incassobureau. Er zijn opvallend veel callcenters. Ten noordwesten van de stad ligt de Vliegbasis Leeuwarden. De stad heeft vijf grote bedrijventerreinen: Leeuwarden-Oost, Leeuwarden-West, De Hemrik, en het recente Newtonpark en Businesspark Leeuwarden. Daarnaast is er nog het grote complex van Friesland Campina. Na het afbranden van De Frieslandhal (onder meer veemarkthal) in 1996, werd het complex WTC Expo Leeuwarden gebouwd, een multifunctioneel gebouw met een veemarkthal, een ijsbaan, een ijshockeybaan, een hotel en een casino en ruimten voor beurzen, evenementen en congressen. Ook de concentratie van diverse HBO-opleidingen in Leeuwarden heeft de stad een nieuw en jonger karakter gegeven. Een van deze HBO-instellingen was Van Hall Larenstein, waar onder meer opleidingen voor agribusiness, biotechnologie, milieukunde en voedingsmiddelentechnologie gevestigd zijn. Een apart maar spraakmakend onderdeel is ook Wetsus, voor duurzame watertechnologie. Geruchtmakend was zeker ook de bouw van het nieuwe Fries Museum aan het Zaailand, waartoe een fors legaat van architect Abe Bonnema (van de Achmeatoren) de mogelijkheden bood.

De nieuwe Leeuwarders werden eerst vooral opgevangen in de grootste nieuwbouwwijk van de stad. Camminghaburen in het noordoosten werd tussen 1977 en 1996 gebouwd en telt nu 11.500 inwoners. Daarna werden er ten noorden en vooral ten zuiden van de stad wijken gebouwd. In het zuiden waren dat Zuidlanden en Zuiderburen, beide nog in ontwikkeling. De wijk Zuidlanden sluit de terpdorpen Hempens en Teerns in.

Thema's

Krimp

Krimp is van alle tijden. Door veranderingen in de sociaaleconomische omstandigheden werden in het verleden soms nederzettingen verlaten of daalde de bevolking sterk. Tijdens de verveningen in de Middeleeuwen werden zo gehele nederzettingen verplaatst. Als gevolg van de agrarische crisis eind 19e eeuw migreerden duizenden Friezen naar Holland en Amerika. In de jaren vijftig van de 20ste eeuw werd door emigratie naar de Canada, Verenigde Staten en Australië in sommige gevallen de dorpssamenleving ontwricht. In het naoorlogse Friesland werd het platteland bovendien gekenmerkt door schaalvergroting en mechanisatie in de landbouw, waardoor binnen enkele decennia het aantal agrariërs en landarbeiders sterk daalde. Plaatsvervangende werkgelegenheid werd vaak gevonden in de nieuwe industrieën en de tertiaire sector in steden als Leeuwarden en Sneek en opkomende plaatsen als Drachten en Heerenveen. In sommige dorpen in Noord-Friesland daalde de bevolking met 25%.

Door de bevolkingsstijging (mede dankzij de ‘babyboom’) bleef Nederland als totaal nog wel groeien. In de jaren zestig en vooral zeventig van de 20ste eeuw trokken bovendien veel stedelingen uit Friesland naar de omliggende dorpen. Ook verhuisden mensen uit geheel Nederland naar dorpen op het Friese platteland, om rust en ruimte te zoeken. In beide gevallen profiteerden de nederzettingen aan de perifere het minst van deze migratiebewegingen. Veel kleinere dorpen verloren in de jaren zestig de bakker, slager, kruidenier en, wat het meest pijnlijk ervaren werd, de lagere school. Openbare voorzieningen als een multifunctioneel centrum of een sportcomplex werden alleen in grotere dorpen gebouwd.

In Zuid-Limburg, Oost-Groningen, Noordoost-Friesland, delen van Zeeland en de Kop van Noord-Holland werd de bevolkingsdaling, ‘de krimp’, na 2000 duidelijk gesignaleerd. In Noordoost-Friesland gaat het vooral om de gemeente Dongeradeel. Het leidde tot leegstand van woningen, vergrijzing en een verschraling van het voorzieningenniveau. Dramatisch was de bevolkingsdaling overigens nog niet. Tussen 2002 en 2008 was deze daling in Dongeradeel slechts 1%. De krimp deed zich opvallend genoeg vooral voor in grotere dorpen als Holwerd, die in dezelfde periode 8% van de bewoners zag vertrekken. Tegelijkertijd hebben dorpen als Holwerd nog steeds een basisschool, een supermarkt, een sportaccommodatie en een huisarts, terwijl dat in veel kleinere plaatsen al lang niet meer het geval is. Hoewel de krimp op zichzelf niet oplosbaar lijkt, wil de gemeente Dongeradeel vooral mikken op een versterking van de recreatieve functies. De nabijheid van Esonstad en Nationaal Park Lauwersmeer  (in deelgebied Lauwersland) zijn daarbij gunstige publiekstrekkers. Voor de toekomst wordt verder veel verwacht van de te ontwikkelen vaarrecreatie op de dorpsvaarten en de ontwikkeling van de pier van Holwerd.

Literatuur

H.M. van den Berg, Dongeradelen. Den Haag, 1983.

H.M. van den Berg, Ferwerderadeel. Den Haag, 1981.

H.M. van den Berg, Dantumadeel. Den Haag, 1984.

E. Boers, De wereld onder de Oldehove: zoektocht naar het vroegste verleden van Leeuwarden. Leeuwarden, 2009.

J.H. Bos, Ferwerderadiel: hoarizonbreed en himelheech. Ferwerd, 2011.
 
U. Buwalda et al., Een geschiedenis van Oosternijkerk. Metslawier, 1979.
 
T.H. Corporaal, Terpenland: Hallum, Marrum/Westernijkerk, Ferwerd, Blija: Freerk van Hallum. Leeuwarden, 1995.
 
K.M. Dekker, Enkele agrarisch-structurele ontwikkelingen in het ruilverkavelingsgebied Garijp-Wartena tussen 1959 en 1980 : een vergelijking met omringende gebieden. Den Haag, 1982.
 
J. van Dijk, Van Beijntum Bolleholle en Keallesturt : bijzonderheden omtrent de geschiedenis van het dorp Hogebeintum, waaronder de naam Hogebeintum, het grondbezit, verbindingen tussen klooster Foswert en de Bolleholle, Toponymie, localisering van de boerenplaatsen, beschrijving per boerenplaats, waaraan nog is toegevoegd een kroniek over de diakonale werkzaamheden van de kerk van Hogebeintum. Nunspeet, 1993.
 
J. van Dijk, Dorpen bij het Wad en in de Vlieterpen: een stukje geschiedenis over dorpsgebeurtenissen, boerderijen, huizen, boerenfamilies, boerenkapitaal in de dorpen Blija, Ferwerd, Jislum, Lichtaard en Reitsum. Noordwolde, 2006.

J. van Dijk, Een rondgang door historisch Ferwert. Ferwerd, 2010.

M. Geertsma, Uit het verleden van Holwerd. Holwerd, 1993.

C. Helfrich, Organisaesje fan ús allegearre : Warga 100 jaar. Warga, 2000.

H.R. Hazelhoff, Acht eeuwen Leeuwarderadeel : de geschiedenis van de 'voortreffelijckste voorstemmende ende meest contribuerende grietenije van Oostergo' in hoofdlijnen. Stiens, 1992.

M. Hof, Oerliz is it heale wurk, stinnen de oare helte : leven en werken in de 4H-dorpen Hantum - Hantumhuizen - Hantumeruitburen - Hiaure in de vorige eeuw. Hantum, 2008.

J.H. Holsbrink. Geen kinderwerk. 25 jaar ruilverkaveling Oost- en Westdongeradeel in woord en beeld. Metslawier, 1993.

J. de Jager, Wierum en haar bewoners. Dokkum, 2011.

G.H. Jelsma, Tusken Potmarge en jokse: byfragen ta de skiednis fan it Sudertrimdiel. Leeuwarden 1993-2002, 5 delen.

J.P. de Jong, Oan 'e dyk set by Holwert : ekology, skiednis, ûndersyk en natoerbehear om de waadkwelder Holwert-East hinne. Leeuwarden, 2010.
 
R.K. de Jong, Een geschiedenis van Goutum. Leeuwaren, 1996.

G. Jongeling, Metslawier van toen. Metslawier, 1982.

S. Kortrijk, Galgelappers: een geschiedenis van Leeuwarden. (1780-1880). s.l., 2010.

R. Kunst (eindred.), Leeuwarden 750-2000: hoofdstad van Friesland. Franeker, 1999.

G.  de Langen, Middeleeuws Friesland. De economische ontwikkeling van het gewest Oostergo in de vroege en volle Middeleeuwen. Groningen, 1992.

G. Mast, De eendenkooi bij de hel te Hallum. Groningen, 2007.

G. Mast, De eendenkooi van Ternaard. Groningen, 2003.

M. Meindertsma en D. Jongeling, Us doarp Mitselwier. Metslawier, 2008.

J.A. Mol et al., Prekadastrale atlas fan Fryslân : de pleatsen fan 1700 en 1640 neffens de floreen- en stimkohieren. Deel 14: Ferwerderadiel. Leeuwarden, 2001.

J.A. Mol et al., Prekadastrale atlas fan Fryslân : de pleatsen fan 1700 en 1640 neffens de floreen- en stimkohieren. Deel 15: Ljouwerteradiel . Leeuwarden, 2002.

J.A. Mol et al., Prekadastrale atlas fan Fryslân : de pleatsen fan 1700 en 1640 neffens de floreen- en stimkohieren. Deel 17: Eastdongeradiel en Dokkum. Leeuwarden, 2003.

J.A. Mulder et al., Tusken Piskhoarne en Lape : een boerderij-historische verkenning van Leeuwarden tot Wytgaard. Leeuwarden, 2003.

R.L.P. Mulder-Radetzky, Staten, stinzen en stadshuizen in en rond Leeuwarden. Leeuwarden, 2006.

R.L.P. Mulder-Radetzky, Staten, stinzen, poortgebouwen en landhuizen in Noordelijk Fryslân. Leeuwarden, 2011.

J.A.W. Nicolay, Terpbewoning in oostelijk Friesland: twee opgravingen in het voormalige kweldergebied van Oostergo. Groningen, 2010.

H. Oly, Stadswandeling en fietstochten Leeuwarden: sporen van de vroege geschiedenis. Leeuwarden, 2011.

Ontwerplab Krimp Dongeradeeel (Friesland), Krimp biedt ruimte. Groningen, 2009.

P. van der Plank et al, Trije terpen tusken Waad en Ie : Foudgum, Brantgum en Waaxens. Drachten, 2000.

L. Prins en P. Timmer, Cultuurhistorische verkenningen. Krimp in de beschermde dorpsgezichten van Dongeradeel. s.l., 2012.

DTh. Reitsma, Ljouwerteradiel beneamd : toponimen Ljouwerteradiel troch de ieuwen hinne. Stiens, 2011.

D.Th. Reitsma et al, 100 jaar Vereniging Plaatselijk Belang Stiens 1912-2012. Stiens, 2012.

M. Schroor (eindred.), Geschiedenis van Dokkum: hart van noordelijk Oostergo. Dokkum, 2004.

W. Schuurman, Wytgaard, jongste doarp fan de gemeente Ljouwert : weromsjen op 50 jier. Wijtgaard, 2007.

J.M. Swart, In doarp yn 'e Noardeasthoeke : Easternijtsjerk tusken 1740 en 1940. Leeuwarden, 1995.

J.H.P. van der Vaart et al., Kadastrale atlas fan Fryslân 1832. Deel 14: Ferwerderadiel: de kadastrale gemeenten Blija, Ferwerd, Hallum en Marrum. Leeuwarden, 2001.

J.H.P. van der Vaart et al., Kadastrale atlas fan Fryslân 1832. Deel 15: Ljouwerteradiel: de kadastrale gemeenten Hijum, Huizum, Jelsum en Wirdum. Leeuwarden, 2002.

J.H.P. van der Vaart et al., Kadastrale atlas fan Fryslân 1832, deel 17: Eastdongeradiel en Dokkum: de kadastrale gemeenten Anjum, Ee, Nijkerk en Dokkum. Leeuwarden, 2003.

P. Vellema, Blija: hoe het is, was en wordt. Blija, 1993.

S. van der Vlugt, Ien & oar út 'e skiednis fan Wergea. Warga, 2007.

Organisaties en Links

www.boarnsterhim.nl

www.dongeradeel.nl

www.ferwerderadiel.nl

www.leeuwarden.nl

www.leeuwarderadeel.nl

www.tytsjerksteradiel.nl

www.tresoar.nl

www.historischcentrumleeuwarden.nl

www.hicnof.nl (historisch informatiecentrum Noordoost-Fryslân Dokkum)

www.hvnf.nl(historische vereniging Noordoost-Friesland)

www.aedlevwerd.nl (historische vereniging Leeuwarden)

www.holwerd.nl

www.hallumonline.nl

www.wanswerd.com

www.deflieterpen.nl

www.dokkum.nl

www.mitselwier.nl (Metslawier)

www.moarre.nl (Morra en Lioessens)

www.niawier-wetsens.nl

www.oosternijkerk.com

www.4h-side.nl(Hantum, Hantumhuizen, Hantumeruitburen en Hiaure)

www.ternaard.info

www.nofriesland.nl/brantgum

www.nofriesland.nl/waaxens

www.foudgumonline.nl

www.hegebeintum.info(Hogebeintum|)

www.blije.info(Blija)

www.dorpwierum.nl

www.nesdongeradeel.nl

www.pleinstiens.nl

www.britsum.nu

www.cornjum.nu

www.dekemastate.nl(Jelsum)

www.goutum.info

www.wergea.com (Warga)

www.warten.nl (Wartena)

www.wirdum-swichum.nl

www.wijtgaard.nl

www.reduzum.,nl(Roordahuizum)