Notice: Trying to get property of non-object in /home/landschap/domains/landschapsgeschiedenis.nl/public_html/deelgebieden.php on line 38
Landschaps Geschiedenis

Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
Kop van de Bloksleatpolder
Eilandje in het Jentsjemar
de Deelen, bevroren Petgat
koemelkerij
Lindevallei, Helomapolder, gerestaureerde veensluis
Wiel Lindedijk, doorbraak stormvloed 1825
Katlijker heide 2010
Stelp boerderij bij Boazum
Tjongervallei, Brandemeer
Petgaten en Legakkers in de Deelen
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

Auteur: Gerben de Vries 

De Veenpolders vormen door hun lage ligging een geheel met het Lage Midden. Het was voorheen dan ook één groot hoogveengebied. In deze polders werd de vervening echter systematisch en grootschalig aangepakt. Het gevolg was dat een landschap ontstond met uitwaaierende, kilometerslange nederzettingen in een uiterst natte context. Opvallend is het zeer fijnmazige percelen- en slotenpatroon. Deelgebied De Veenpolders loopt van de Groote Veenpolder in Opsterland en Smallingerland in het noorden, via een smalle strook polders tussen Akkrum en Heerenveen, naar de veenpolders tussen Lemmer en Wolvega. Hier liggen de Veenpolder van Echten en de Groote Veenpolder in Weststellingwerf. Er bevinden zich geen steden in dit deelgebied, maar wel twee ‘vlecken ‘ (Lemmer en  Joure).


Deelgebied De Veenpolders wordt in het westen begrensd door de deelgebieden De Zuidwesthoek en Het Lage Midden, in het noorden door de Noordelijke Friese Wouden en in het oosten door deelgebied De Zuidoosthoek. De provinciegrens met Overijssel vormt de zuidelijke grens.

Kenmerken en Bijzonderheden

  • Veenontginningslandschap (strokenlandschap)
  • Veenweidelandschap met veenderijen, veenpolders en meren
  • Weg- of streekdorpen met opstrekkende verkaveling
  • Vlekken (Joure, Heerenveen, Lemmer)
  • Kop-(hals-)romp-boerderijen, stelpboerderijen
  • Beken/rivieren: Tjonger (Kuinder), Linde, Boorne, Ee, Kromme Ee/Wijde Ee/Monnike Ee
  • Meren: Tjeukemeer, Nannewijd, Brekken (bij Lemmer)
  • Plassen en petgaten: Boornbergumer Petten, De Deelen, Rottige Meente, het Wijde, Polder Brandemeer
  • Kanalen en vaarten: Jonkers- of Helomavaart , Pier Chritiaansloot, Lemsterrijn, Broeresloot of Vierhuistervaart, Scharster- of Nieuwe Rijn, Nieuwe Heerenveensekanaal, Noordbroekstervaart, Ringvaart, Nieuwe Vaart, Polder Hoofdkanaal
  • Bossen/bosschages: bij Joure, Ouwsterhaule (Haulster Bosschen) Tijnje, Tjalleberd, Boornbergum, Sint Johannesga en Munnekeburen
  • Natuurreservaten: Boornbergumer Petten, De Deelen, Rottige Meente, Linde Vallei (deels), Easterskar (tussen Sint Johannesga en Rotstergaast)
  • Klokkestoelen (Akmarijp, Broek, Doniaga, Legemeer, Oldeouwer, Ouwster-Nijega, Rottum, Rotstergaast, Snikzwaag, Teroele
  • States (Heremastate Joure, nu gemeentehuis)
  • Beschermde dorpsgezichten (Oldeboorn)

Landschapsopbouw

Deelgebied De Veenpolders loopt van de Wijde Ee ten westen van Drachten zuid- en zuidwestwaarts tot de rivier de Linde ten zuiden van Wolvega en verder westwaarts tot aan Lemmer. Het is een geheel van elf aaneensluitende veenpolders, die ondanks diverse  ruilverkavelingen hun zeer fijnmazige sloten- en percelenpatroon hebben behouden. Alleen in het noorden, bij De Veenhoop en Boornbergum, is blokverkaveling gecreëerd. Dat geldt eveneens voor landerijen bij oudere en grotere nederzettingen als Oldeboorn, Joure en Lemmer. In dit gebied wordt alleen veeteelt bedreven. Het ligt laag, van een halve meter tot -2.5 meter NAP, en is daarom niet geschikt voor akkerbouw. Uitgestrekte bossen zijn hier niet, alleen wat bosjes bij Joure, Tijnje en Boornbergum en (her-)beboste petgaten als bij de Rottige Meente en in de Groote Sintjohannesgaaster Veenpolder.

Het deelgebied wordt doorsneden door twee snelwegen. De A6 loopt van Lemmer langs Heerenveen in de richting van Drachten. De A32 gaat van Leeuwarden langs Oldeboorn naar Heerenveen en verder naar Wolvega. Grote kanalen kent het gebied niet. Wel lopen er vanuit Heerenveen het Nieuwe Heerenveense Kanaal en vanuit Joure de Noordbroekstervaart in noordwestelijke richting naar het Prinses Margrietkanaal. De spoorweg Heerenveen-Leeuwarden loopt vrijwel parallel met het Nieuwe Heerenveense Kanaal. De Tjonger of Kuinder was een riviertje dat eind 19e eeuw genormaliseerd werd. Het heeft aftakkingen naar het Tjeukemeer (Broeresloot of Vierhuistervaart, Pier Christiaansloot) en naar de Linde (Jonkers- of Helomavaart). De Linde of Lende ontspringt in bij Tronde in Ooststellingwerf en loopt westwaarts ten zuiden van Wolvega naar de grens met Overijssel.

Indeling

Deelgebied De Veenpolders behoort tot de gemeenten Lemsterland, Weststellingwerf (deels), Skarsterlân (deels), Heerenveen (deels), Opsterland (deels), Smallingerland (deels) en Boarnsterhim (deels).   

De Veenpolders behoort tot het in 2004 gevormde Wetterskip Fryslân. Voorlopers in dit deelgebied waren onder meer de boezemwaterschappen Boarn en Klif alsmede De Sevenwolden, die in 1997 werden opgericht na fusie van een aantal waterschappen.

In het Streekplan Fryslan 2007 (‘Om de kwaliteit fan de Romte’) behoort deelgebied De Veenpolders tot de regio’s Midden-Fryslân, Zuidoost-Fryslân en Zuidwest-Fryslân.

Woonkernen

Gemeente Smallingerland: Boornbergum, De Wilgen, De Veenhoop, Nij Beets.
Gemeente Opsterland: Tijnje, Terwispel, Luxwoude
Gemeente Boarnsterhim: Oldeboorn
Gemeente Heerenveen: Tjalleberd, Terband
Gemeente Skarsterlân: Akmarijk, Broek (Noord en Zuid), Goïngarijp, Haskerdijken, Haskerhorne, Joure, Nijehaske, Oldeouwer, Oudehaske, Ouwsterhaule, Ouwster-Nijega, Rotstergaast, Rotsterhaule, Rottum, Scharsterbrug, Sint Johannesga, Snikzwaag, Terkaple, Vegelinsoord.
Gemeente Lemsterland: Bantega, Delfstrahuizen, Echten, Echtenerbrug, Eesterga-Follega, Lemmer, Oosterzee, Oosterzee-Buren.
Gemeente Weststellingwerf: Langelille, Munnikeburen, Nijetrijne, Scherpenzeel.
Molen bij Nij Beets (www.toonbeeldbank.nl)
www.toonbeeldbank.nl/ Frans de Vries

Landschapsgeschiedenis

Geologie

Het grootste deel van Friesland is gevormd tijdens de twee laatste ijstijden, het Saalien en het Weichselien. Tijdens het Saalien (die tot circa 130.000 jaar geleden duurde) breidden ijskappen vanuit Scandinavië zich uit over een groot deel van Nederland. Gletsjers schuurden als bulldozers brede, diepe dalen uit, zoals het gebied waar nu de meren van zuidelijk Friesland liggen. Tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien) brak een warmere periode aan. De zeespiegel steeg en in Friesland werd zeeklei afgezet. Daarna werd door de wind overal dekzand afgezet, die heden ten dage nog aan de oppervlakte ligt in de Friese Wouden.

Na de ijstijden begon met het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) een veel warmer en vochtiger tijdperk. Door de hogere temperaturen steeg ook het grondwaterpeil en werd meer water door de rivieren afgevoerd. Door de vernatting van het milieu werd een veengebied gevormd dat het gehele deelgebied De Veenpolders omvatte. De Veenpolders en Het Lage Midden vormden tot in de vroege Middeleeuwen één hoogveengebied.

Vroegste bewoning en Middeleeuwen

In het uitgestrekte hoogveengebied was lange tijd geen of nauwelijks bewoning mogelijk. Vanuit de westkant van het deelgebied liep evenwel een smalle zandrug van Gaasterland over St. Nicolaasga  naar Joure. Hier zijn bij Oudehaske archeologische sporen (onder meer vuursteenafslagen, een kling) vanaf het Nieuwe Steentijd (5000-1900 v.Chr.) gevonden. Uit het nabijgelegen Snikzwaag werd bovendien op een zandkop een nog iets oudere vuursteenwerkplaats (5500 v.Chr.) gevonden, alsmede een slijpsteen om stenen bijlen mee te maken.

In het noorden en westen van het deelgebied De Veenpolders reikte de zee zover dat hier nog klei werd afgezet, rond het begin van de jaartelling. In dit deelgebied bestond het landschap evenwel vooral uit hoogveen. Omdat dit veen hoger lag dan de omringende kleiterpgebieden in het westen en de zandgebieden van de Friese Wouden en de Stellingwerven zou het in deze periode het Hoge Midden genoemd kunnen worden. Vooral in het noorden van het deelgebied, waar een kleilaagje het veen bedekte, zijn archeologische sporen uit de Karolingische tijd (8ste tot 10de eeuw n.Chr.) bekend.

Rond het jaar 1000 is de eerste bewoning van het veengebied te traceren. De overgang van seizoens- naar permanente bewoning volgde in de 12e eeuw. Dat gebeurde vanuit het noordelijke kleigebied. De eerste nederzettingen lagen aan riviertjes als de Boorne en de Smalle Ee met plaatsnamen als Oldeboorn, Tynje en Boornbergum. Zo gingen diverse ontginningsblokken van het noorden naar het zuiden, steeds dieper het veen in. Zo ontstonden komloze streekontginningsdorpen, die met de vervening mee trokken. Zo volgden Haskerhorne en Nijehaske de oudste nederzetting Oudehaske en hetzelfde gebeurde vanuit Rottum, waar nederzettingen als Rotsterhaule en Rotstergaast ontstonden. De Ouwster Trijegeaën was een apart ontginningsblok. Oldeouwer was de oudste nederzettingen en van daar uit werden Ouwsterhaule en Ouwster-Nijega gesticht. Vanaf de 14e eeuw bouwden zij stenen kerken. Soms werden daarbij de oorspronkelijke nederzettingen en kerkhoven verlaten, zoals bij de eerste dorpen die later de namen Terband en Gersloot droegen. In het zuiden stuitten de ontginners tenslotte op het Tjeukemeer, overigens een natuurlijk meer. Ten zuiden van dit meer stamden nederzettingen als Oosterzee en echten uit de 12e eeuw. In het zuiden van het deelgebied dateerden de nederzettingen uit de 13e eeuw, met namen als Munnekeburen, Scherpenzeel, Spanga en Nijentrijne in de latere gemeente Weststellingwerf.

Door de ontwatering van het veen oxideerde het veen en daalde het maaiveld. Omdat de Boorne sinds de bedijking van de Middelzee in de 13e eeuw niet meer westwaarts kon afwateren, werd de Leppadijk gelegd. Deze moest Oostergo beschermen tegen het water uit de venen van het deelgebied De Veenpolders. De strijd tegen het water kon ook gecoördineerd worden door kloosters. Zo werd er in 1231 een klooster gesticht te Haskerdijken, bij een verlaten kapel. Veel gezelschap kreeg dit Hasker Convent in De Veenpolders niet. Alleen ten noorden van het latere Heerenveen, bij Luinjeberd, werden in de late 14e en begin 16e eeuw nog kloosters gebouwd. Aan de noordgrens van het gebied, bij Boornbergum, werd ten slotte nog een klooster gesticht. In het begin van de Tachtigjarige Oorlog werden zij alle opgeheven.

Nieuwe Tijd (1600-1800)

Vanaf de 16e eeuw begon de vervening van het hoogveen, ten oosten van deelgebied De Veenpolders. Hier ontstonden nederzettingen als Heerenveen en Gorredijk. In de 18e eeuw kwam ook het laagveengebied aan bod. In 1751 kwamen een aantal veenbazen en turfmakers uit Giethoorn, waar de vervening op zijn eind liep, naar de grietenij Haskerland. Hier werd Oudehaske het centrum van een grootschalige vervening. De Gieterse verveners brachten de techniek van het slagturven met baggerbeugels mee. Hiermee werd de onder de grondwaterspiegel gelegen turf naar boven gebaggerd en op zetwallen of legakkers te drogen gelegd. Het volgende jaar werd de strook land waar de turf gedroogd was uitgebaggerd. Het gevolg was wel dat er grote aaneengesloten waterplassen ontstonden. Vanaf 1755 waren turfgravers uit de kop van Overijssel eveneens begonnen met de vervening van het laagveen ten zuidoosten van Sint Johannesga en Rotserhaule, in de grietenij Schoterland. Ook hier verdween na de vervening een belangrijk deel van de grond onder water en vormde het Onland.

Ten zuiden van het Tjeukemeer begonnen eveneens Gieteres verveners rond 1770. Vanuit Oosterzee en Echten schoven de ontginningsgrenzen steeds verder zuidwaarts op. Hier ontstond de Veenpolder van Echten, waarbij het water uit het gemiddeld drie meter dikke veen werd afgevoerd door twee speciaal gegraven vaarten naar het Tjeukemeer en de Pier Christiaansloot. De verkaveling richtte zich bijvoorbeeld op een kerktoren aan de horizon en daarom werden in Haskerland, Schoterland en Lemsterland opvallende waaiervormige polders. Door de komst van grote aantallen veenarbeiders groeiden de nederzettingen sterk en eind 18e eeuw was de bevolking van Oudehaske verzesvoudigd. Ook Sint Johannesga groeide sterk. Van eenvoudige boerendorpjes met hooiwinning op de laagveenmoerassen veranderde het landschap langzamerhand in een strak lineair stelsel van vaarten, wijken en zijwijken ten behoeve van de commerciële turfwinning. In de grietenij Weststellingwef werd met het graven van de Helomavaart (nu ook wel Jonkervaart genoemd) in 1775 begonnen met verveningen tot aan de rivier de Linde.

De adellijke familie Vegelin van Claersbergen was betrokken bij de waterstaat rond Joure. Begin 18e eeuw liet de grietman van Haskerland om een groot deel van de zuidwesthoek van zijn ambtsgebied ten noorden van Joure een polderdijk leggen. Ook rechtte hij een stuk dijk bij de nederzetting Haskerdijken en dat werd tevens de weg van Heerenveen naar Akkrum. Bovendien werd in 1723 de Vegelinsweg van Joure naar Akkrum door deze familie aangelegd, zodat een goede verbinding met hoofdstad Leeuwarden mogelijk werd. De Vegelins zorgden ook voor de indijking van de Trijegasterpolder in 1741, die de zogenaamde Trijegeaën omvatte (de dorpen Ouwsterhaule, Ouwster-Nijega en Oldeouwer). De betrokkenheid van de Vegelins bij de veenbaggerijen bleek tevens uit het feit dat het ten noorden van Haskerdijken liggende Stobbegat werd hernoemd in Vegelinsoord.

Moderne Tijd (1800-1950)

De verveningen gingen na de Bataafs-Franse Tijd (1795-1813) in versneld tempo verder. Met name in Lemsterland steeg de productie snel. Door de baggelarij waren in de 18e eeuw veenplassen en zeer natte gebieden ontstaan. Het provinciaal bestuur van Friesland wilde door middel van reglementering de verveners dwingen de vernatting tegen te gaan. Er werden vijf klassen laagveenderijen ingesteld. In de eerste klasse - waaronder veengebieden in de waterrijke gedeelten van de grietenijen Lemsterland, Weststellingwerf, Doniawerstal, Aengwirden en Smallingerland – was bepoldering voldoende. In de tweede klasse – gedeelten van de grietenijen Haskerland, Schoterland, Aengwirden en Opsterland – was nadere bedijking een vereiste. In 1849 kwam een vernieuwd reglement tot stand, waarbij dertien veenpolders werden gevormd die als een soort waterschappen fungeerden.

In 1826 al was in de gemeente Aengwirden de polder van het 4e en 5e Veendistrict gevormd en het werk werd zes jaar later gestart. Het 4e district lag ten noorden van de weg Terband-Luinjeberd-Tjallerberd-Gersloot. Het veenbestuur liet een polderdijk aanleggen om dit district van De Deelen (later een eigen veenpolder) te scheiden. Er werden drie molens ingezet om het water weg te malen. In 1847 werd de weg van Heerenveen naar Gorredijk aangelegd. Het werd de zuidelijke begrenzing van het 5e Veendistrict, die in 1850 werd bepolderd en twee molens kreeg. Het vierde district voerde de turf af via de schutsluis bij Nieuwe Brug, het vijfde district via de Schoterlandsche Compagnonsvaart. De reeds in 1741 drooggemaakte Terbandsterpolder werd in dit 4e en 5e Veendistrict geïncorporeerd.

Een soortgelijke ontwikkeling hadden ook de andere Veenpolders, zoals bijvoorbeeld de Polder van het 6e en 7e Veendistrict (grietenijen Opsterland en Aengwirden, opgericht 1839) en de Groote Veenpolder in Weststellingwerf. De laatste werd opgericht in 1847. In 1928 was nog slechts een deel drooggelegd. Na aanleg van kanaal De Gracht werden hier nog grote stukken drooggelegd. Daarna zagen de verveners af van verdere ontginning, wat tot gevolg had dat ten oosten van de nederzettingen Munnikeburen en Scherpenzeel het laagveengebied bewaard bleef. Het is nu het natuurgebied de Rottige Meenthe. De grootste polder was de Groote Veenpolder van in Opsterland en Smallingerland (ook wel het Burgemeestersveen genoemd) tussen Boornbergum, De Veenhoop en de Nieuwe Vaart, waar onder meer de veenkolonie Nij Beets ontstond. De laatste Veenpolder, De Deelen, werd in 1919 ingesteld. Het lag voor het grootste deel in de gemeente Aengwirden, die in 1934 samen met de gemeente Schoterland en een deel van Haskerland zou opgaan in de nieuwgevormde gemeente Heerenveen. Omdat turf als brandstof op dat moment weinig meer in trek was, werd er niet veel verveend. Het bleef een doolhof van veenpetten en legakkers en heeft de internationale status van Wetland verworven.

Na de vervening kwam de periode van de drooglegging en uiteindelijk de ontginning tot weide- en hooilanden. Hiervoor dienden de zogenaamde slikgeldheffingen, bedoeld om de kosten van de droogmaking van de uitgeveende gronden te dekken. De verveners stortten naar grootte van hun percelen geld in de polderkas. Dit systeem bracht wel mee dat er meestal voldoende geld voor de oudste droogmakerijen was, maar niet voor de jongere. Daarom werd in de jongste Veenpolder De Deelen, net als bij de Veenpolder Delfstrahuizen, in 1923 een andere slikgeldheffing ingesteld. De slikgelden werden daarbij belegd op naam van het uitgeveende perceel en de eigenaar kreeg daardoor later de slikgelden terug als dit perceel in cultuur gebracht was.

Deelgebied De Veenpolders was een van die gebieden in Friesland die zwaar door de landbouwcrisis (1878-1895) werden getroffen. Het was allereerst een crisis in de graanteelt, want Nederland kreeg nu in toenemende mate te maken met de concurrentie van goedkoop graan uit de Verenigde Staten en Rusland. Ook de traditionele afzet van boter naar Groot-Brittannië en andere landen stagneerde echter, vooral omdat er op grote schaal geknoeid werd met de kwaliteit van de zuivelproducten. Dit trof de veehouderij zwaar. Veel Friezen emigreerden naar onder meer de Verenigde Staten, anderen degradeerden van kleine boer tot landarbeider. Tegelijkertijd met de agrarische crisis was er een crisis in het veengebied. Een aantal Veenpolders, zoals die van Echten, waren vrijwel uitgeveend, terwijl door de concurrentie van steenkool en olie de vraag naar turf daalde. Het gevolg was regelrechte armoede. De ‘opstand in de turf’, die hiervan het gevolg was, bereidde de weg naar een felle variant van het socialisme voor. Enkele Friese gemeenten zoals Schoterland en Aengwirden waren de bakermat van het Nederlandse socialisme en anarchisme en voor dit district werd F. Domela Nieuwenhuis als eerste socialist in de Tweede Kamer gekozen. Veel werkloze land- en veenarbeiders vertrokken later naar plaatsen als Lemmer, Heerenveen en Joure.

De crisis in de veehouderij werd uiteindelijk met succes bestreden. In 1879 werd het Friesch Rundveestamboek opgericht, om de kwaliteit van de veestapel te verbeteren. Enkele jaren later volgde vanuit Warga de opmars van de coöperatieve zuivelfabrieken, die een betere kwaliteit boter leverden dan die van de boerderij zelf. In De Veenpolders verrezen vanaf eind 19e eeuw ruim vijftien ‘boterfabrieken: Boornbergum, Delfstrahuizen, Echten, Haskerdijken, Haskerhorne,  Joure, Lemmer, Langelille, Luinjeberd, Munnikeburen, Nijega, Oldeboorn, Oosterzee, Scharsterbrug, Scherpenzeel en Tijnje. Het was de triomf van de coöperatieve gedachte, waar niet alleen gezamenlijk kunstmest en zaaigoed werd aangekocht, maar ook allerlei coöperatieve verenigingen werden opgericht. Slotstuk was de bouw van coöperatieve boerenleenbanken in de grotere dorpen, zoals Joure en Lemmer.

Na 1900 volgde herstel van landbouw en vervening. De turfgraverij kende nog een korte opleving tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), maar door de sterk afnemende vraag daarna verdween de bedrijfstak binnen korte tijd. Daardoor bleven sommige laagveengebieden hun oorspronkelijke karakter behouden, zoals in De Deelen en de Rottige Meenthe, die nu belangrijke natte natuurgebieden zijn. De grote economische crisis van de jaren 1929 tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940 trof ook deelgebied De Veenpolder sterk. Door de rijksoverheid werd in samenwerking met de provincie een aantal infrastructurele werken in het kader van de werkverschaffing uitgevoerd. Begonnen werd met de aanleg van Rijksweg 43, van de Afsluitdijk naar Sneek en verder naar Joure en Heerenveen. Bovendien werden allerlei secundaire wegen aangelegd, zoals tussen Oudehaske en Sint Johannesga, Lemmer en Wolvega alsmede Scherpenzeel en de Groote Veenpolder. De Heidemaatschappij verrichtte voorts werken aan polderwijken en – sloten, zoals in het 4e en 5e Veendistrict.

De dorpen Bantega in de gemeente Lemsterland en Langelille in de gemeente Weststellingwerf ontstonden pas in de 20ste eeuw. Bantega werd als woonkern pas na 1920 gevormd en kreeg in 1945 de status van dorp, nadat het delen van de dorpsgebieden van Echten en Oosterzee kreeg toegewezen. Langelille op de linkeroever van de Tjonger had al bebouwing in de 17e eeuw. Pas in 1964 kreeg het de status van zelfstandig dorp, gevormd uit de dorpsgebieden van Munnekeburen en Scherpenzeel.

Actuele vraagstukken

Ruilverkavelingen in de Veenpolders

Deelgebied De Veenpolders was van oudsher een zeer waterrijk gebied. De natte infrastructuur zorgde ervoor dat de nederzettingen per schip gemakkelijk bereikbaar waren en dat bood kansen voor de transportsector. Daar stond tegenover dat het gebied in het winterhalfjaar voor een belangrijk deel onder water stond, hetgeen voor de landbouw grote nadelen had. Het grasgewas bijvoorbeeld kwam het volgende voorjaar pas laat op gang en bovendien waren de landerijen lange tijd voor zwaarder transport onbereikbaar. Na de Tweede Wereldoorlog werd van overheidswege schaalvergroting in de landbouw nagestreefd, onder meer om de nationale voedselvoorziening veilig te stellen. Ruilverkaveling was daarvoor een nuttig instrument. Door het ruilen van kavels, het vergroten van de percelen, de verbetering van de afwatering en de aanleg van wegen in het buitengebied kon de landbouw veel efficiënter produceren. De rijks- en provinciale overheden gaven over het algemeen dan ook snel toestemming voor een ruilverkaveling. Het duurde meestal wel enkele jaren voordat de meerderheid van de betrokken agrariërs ook met de ruilverkavelingsplannen instemde.

In De Veenpolders werd begin jaren vijftig al een kleine ruilverkaveling doorgevoerd. De Kampen, een gebied tussen de zuidwestelijke polderdijk van de Veenpolder van Echten en de Grietenijdijk. Hier werden de kavels belangrijk vergroot, terwijl een tweede gemaal voortaan het water uitsloeg op het Tjeukemeer. De 250 hectare werden in 1954 bij de Veenpolder van Echten gevoegd. De ruilverkaveling van de grote Veenpolder van Echten en de Groote Veenpolder van Weststellingwerf liet veel langer op zich wachten. Al in 1977 werd besloten het gehele gebied ten zuiden en zuidoosten van het Tjeukemeer onder een ruilverkaveling te brengen. Toen bleek dat de late aanvraag problemen met zich meebracht, want voortaan moest ter dege rekening gehouden worden met het provinciale Streekplan en gemeentelijke bestemmingsplannen. Bovendien bleek in 1987 dat het rijk geen geld meer beschikbaar stelde voor peilverlagingen in weidegebieden met diepe veengronden, zoals de Groote Veenpolder.

Door al deze belemmeringen kon de ruilverkaveling ‘Echtener en Groote Veenpolder’ pas in 1993 van start gaan. Het gebied omvatte in totaal 7700 hectare, gelegen tussen de Linde, de Helomavaart, de Pier Christiaansloot, het Tjeukemeer, de Rijksweg A6 en de Noordoostpolder. De voornaamste motieven waren de verbetering van de waterhuishouding en kavelgrootte. De gemiddelde kavellengte was 1500 meter en in de polder van Oosterzee zelfs 2400 meter. Bovendien waren er bijzonder veel hinderlijke dwarssloten. Overigens was de bedrijfsgrootte goed en was de gemiddelde omvang van de veestapel hoger dan die van Friesland en daarmee ook Nederland. In totaal was er 6000 hectare landbouwgrond en 750 hectare natuurgebied, waaronder de Rottige Meenthe. Pas in het najaar van 2011 werd de ruilverkaveling – nu landinrichting - officieel afgesloten. De landbouwstructuur en de waterhuishouding waren sterk verbeterd, onder meer door de bouw van vijf nieuwe gemalen. Er werden 22 kilometer wegen aangelegd en verbeterd en 20 kilometer nieuwe fiets- en wandelpaden. Onder meer voor vrijmaking van grond voor natuurgebied de Rottige Meenthe werden negen nieuwe agrarische bedrijven gebouwd. De natuurreservaten De Grachtkavel en de Oeverlanden langs de Tjonger en de Linde werden in het kader van de landinrichting opnieuw ingericht. De Rottige Meenthe kreeg het gewenste hogere waterpeil, de boeren in de polder een lager peil.
De Sint Johannesgaaster Veenpolder was er wat vroeger bij. De eerste aanvraag voor een ruilverkaveling dateerde hier al van 1939, gevolgd door een tweede in 1956. In 1963 kwam er een stuk in de gemeente Haskerland bij, in 1968 ook van de gemeente Doniawerstal (Ouwesterhaule, Ouwsternijega en Oldeouwer). In 1969 werd over het 3800 hectare grote plan gestemd. De motivering was dat de kavels versnipperd waren, de landerijen slecht ontsloten en dat de detailontwatering matig was. Bovendien wilden de boeren aansluiten bij de ‘herontginning’ van de Oosterschar, waar de Westerschar al in de jaren vijftig ontgonnen was. Omdat de gemeentebesturen openluchtvoorzieningen wilden creëren bij het Nannewijd, was dit deel tot aan de ruilverkaveling Haskerveenpolder meegenomen. De ruilverkaveling duurde ruim tien jaar. Het Oosterschar werd tijdig ontdekt als een uniek natuurgebied van 200 hectare, waar nog 100 hectare aan toegevoegd werd. Het kwam in beheer bij It Fryske Gea.

De ruilverkaveling van de Haskerveenpolder  - in de gemeenten Haskerland, Heerenveen en Utingeradeel, ten noorden van de snelweg Joure-Heerenveen – was een decennium eerder door de betrokken boeren aangenomen, in 1957. In het 4550 hectare grote gebied was de bereikbaarheid van veel percelen slecht en hier konden de landerijen vaak alleen per boot bereikt worden. De kwaliteit van het grasland was door al het water slecht. De ruilverkaveling was tevens streekverbetering, zodat ook gewerkt werd aan de modernisering van het gebied door onder meer de aanleg van waterleidingen en elektriciteitskabels. In het kader van de ruilverkaveling werden nieuwe vaarten aangelegd, alsmede 30 kilometer nieuwe wegen. Er werden maar liefst 38 nieuwe boerderijen gebouwd, vaak in het buitengebied. In 1968 was de operatie voltooid.

In 1967 en 1970 werden nog twee kleine ruilverkavelingen in deelgebied De Veenpolders aangenomen. Nadat diverse waterschappen al sinds 1954 ijverden voor een ruilverkaveling ten noorden en noordwesten van Joure, werd deze in 1967 aangenomen onder de naam ‘Akmarijp’. De landerijen lagen ten westen van de Haskerveenpolder. In totaal ging het om 2870 hectare. Ook hier waren de gebrekkige ontsluiting, de grote versnippering en de slechte ontwateringstoestand de belangrijkste redenen voor de aanvraag. Bij de uitvoering konden op het laatste moment nog 80 hectare blauwgraslanden gered worden en in beheer worden genomen door Staatsbosbeheer. De ruilverkaveling werd al in 1977 afgesloten. De ruilverkaveling ‘Boornbergum’ van 1970 bestond uit 2375 hectare en lag ten zuiden van de Wijde Ee, in het uiterste noorden van het deelgebied. Natuurbeschermingsorganisatie It Fryske Gea wist hier 70 hectare langs de Wijde Ee en de Monnike Ee te verwerven. Ook was 40 hectare bosgebied geplant, onder meer bij Boornbergum en rond de Boornbergumer Petten. Nieuwbouw van boerderijen in het buitengebied was hier uiteindelijk niet doorgegaan, maar de kavels waren over het algemeen flink vergroot. Deze ruilverkaveling werd in 1979 afgesloten.

De veruit de grootste ruilverkaveling was die van ‘De Veenpolders’, centraal in deelgebied De Veenpolders. De 10.120 hectare van dit plan lag in de gemeenten Heeren, Haskerland, Opsterland en Utingeradeel. De ruilverkaveling lag in de driekhoek tussen Akkrum en Oldeboorn in het noorden, Heerenveen in het zuiden en Langezwaag en Terwispel in het oosten. Al in 1955 hadden de Veenpolder De Deelen en de Polder van het 4e en 5e District de eerste aanvragen gedaan, terwijl in 1966 ook de Polder van het 6e en 7e District werd toegevoegd. In 1971 werd de ruilverkaveling door de agrariërs aangenomen. Het gebied bestond voor 50% uit veengronden, 20% uitgeveende moerige zandgronden in het oosten en 10% kleigrond in het noorden. Vooral de veengronden waren ‘trapgevoelig’, terwijl de ontsluiting en waterbeheersing veel verbeterd dienden te worden.

De uitvoering van ruilverkaveling ‘De Veenpolders’ duurde tot 1986. In die tijd werden 27 nieuwe boerderijen in het gebied gebouwd. Ook hier werden wegen verbeterd (65 kilometer) en waar nodig nieuw aangelegd (27 kilometer). Een belangrijk onderdeel van het plan was de beplanting. Van meet af aan was duidelijk gemaakt dat de houtwallen in het oosten, vooral bij Langezwaag en Gersloot, zoveel mogelijk behouden dienden te blijven. In totaal werden 400 hectare houtwallen en bomen aangeplant, waaronder het 40 hectare grote Bos van Tijnje. Ook Tjalleberd, Tijnje, Terwispel en Langezwaag kregen kleine dorpsbossen. De plannen voor de Riperkrite waren niet doorgegaan. Begin jaren zeventig waren er plannen om een groot deel rond natuurgebied De Deelen onder water te zetten ten behoeve van de recreatie, in totaal 1100 hectare. De betrokken gemeenteraden schoten dit plan in 1977 af en kozen voor een landbouw/natuurmodel. Van de 1100 hectare bleef de helft voor de landbouw bestemd. Wel kreeg natuurgebied De Deelen een meer solide basis. Dit 520 hectare grote stelsel van petgaten, rietland, struweel en hooi –en graslanden werd apart bedijkt, zodat een ongeveer een halve meter hoger waterpeil kon worden bereikt. Het betekende ook het einde voor de vervening, want tot in de jaren zeventig werd hier turf gegraven ten behoeve van in Duitsland gemaakte potaarde. De Deelen wordt beheerd door Staatsbosbeheer en is in 1992 aangewezen tot internationaal wetland.    

Dan lag er tenslotte tussen de ruilverkaveling ‘Boornbergum’ en die van ‘De Veenpolders’ nog de Groote Veenpolder van Opsterland en Smallingerland. Deze polder had in beginsel met ‘De Veenpolders’ mee kunnen gaan. In 1956 had het waterschap De Groote Veenpolder al een aanvraag voor ruilverkaveling gedaan. In 1968 werd ook een aanvraag voor ruilverkaveling gelanceerd vanuit het gebied rond Gorredijk. Deze werden in 1972 door gedeputeerde staten van Friesland samengevoegd, maar pas in 1983 stemden de boeren van dit totale gebied voor de ruilverkaveling ‘Midden-Opsterland’. Het lag in de gemeenten Opsterland, Smallingerland, Utingeradeel en Heerenveen en de totale oppervlakte was 8800 hectare. Het ruilverkavelingsblok bestond uit een laaggelegen westelijk deel in de Veenpolders en een oostelijk deel, de uitlopers van de zandruggen die deel uitmaken van het Drents-Fries Plateau. Dit project werd pas in 2007 afgerond, Zes boerderijen waren verplaatst en er was niet minder dan 35 kilometer bossingels aangelegd. De natuurontwikkeling was in deze periode belangrijk geworden. De Kraanlannen, ten zuidwesten van de Veenhoop, werden een 250 hectare groot natuurgebied. Dit door It Fryske Gea beheerde reservaat kenmerkte zich door petgaten, stripen en broekbosjes. Tussen de Veenhoop en de beek het Ouddiep (Ald Djip) werd bovendien een natte ecologische zone gecreëerd. De gehele operatie had 28 miljoen euro gekost.

Dorpen en de vlecken Joure en Lemmer

Door de ruilverkavelingen was het gehele landschap van deelgebied De Veenpolders op de schop gegaan. Bij de voltooiing van ruilverkaveling ‘De Veenpolders’ werd dan ook opgemerkt dat er net als in de 18e en 19e eeuw een nieuw landschap was. Voor de meeste burgers was dat niet of nauwelijks zichtbaar, behalve natuurlijk in de nadrukkelijk aanwezige natuurgebieden. Anders lag dit bij de nederzettingen, die de laatste vijftig jaar ook een ander gezicht kregen. Bijzonder veel dorpen telt het gebied overigens niet. Nij Beets in het noorden van het deelgebied, breidde zich in de loop van de 20ste eeuw uit van de Prikkewei naar de Domela Nieuwenhuisweg en groeide uit tot een dorp van 1700 inwoners. Oldeboorn, waar de bebouwing vroeger vrijwel alleen langs de Boorne stond, breidde de laatste decennia sterk uit met nieuwbouwwijkjes ten noorden van de beek. Het telt nu 1500 inwoners. Ook Tijnje timmerde aan de weg en heeft nu eveneens bijna 1500 inwoners.  

In het centrum van deelgebied De Veenpolders zit een trechter tussen Joure en Heerenveen. Precies in het middelpunt daarvan liggen de kernen Haskerhorne en Oudehaske. Het eerste dorp bleef een bescheiden streekdorp, maar Oudehaske groeide de laatste 50 jaar van 1300 naar ruim 2000 inwoners. Het dorp breidde zich eerst in zuidwestelijke richting uit, naar en langs het Haskerwijd. Daarna volgde een nog grotere uitleg in zuidoostelijke richting.  Oudehaske en vooral Haskerhorne liggen onder de rook van Joure. Deze aloude vlecke is met 13.000 inwoners ruim de helft kleiner dan Heerenveen en Sneek. Toch breidde ook het grondgebied van Joure zich de laatste halve eeuw sterk uit. In 1954 werd het dorpje Westermeer opgeslokt en daarna kwamen er nieuwbouwwijken, eerst in het zuidwesten en later in noorden en noordoosten. Zij kregen namen als Scheperkwartier, Haskerfjild, Skipsleat, Wyldehoarne en Sevenwolden (de laatste twee in aanleg). Joure telt vijf industrieterreinen, vooral in het zuiden: Tolhúswei, Sewei, Woudfennen, De Ekers, terwijl Douwe Egberts in het noorden ligt.  De laatste naam verwijst natuurlijk naar de bekende koffiebrander, net zoals het D.E. Bos. De vlecke kent daarnaast ook het Park Heremastate en het Park Ter Huivra. Mede door de nabijheid van het Knooppunt Joure heeft de vlecke stedelijke kenmerken gekregen. Door de laagbouw en de waterrijke nieuwbouw hebben dorpse elementen echter de overhand. Joure heeft middelbaar onderwijs, een subtropisch zwembad en kent veel evenementen als de Jouste Merke, de Friese Ballonfeesten, de Boerenbruiloft, een straatfestival en net als het Drentse Anloo een historisch rechtsspektakel, Rjochtdei.  

In het zuidelijke deel van De Veenpolders zijn er ten zuiden van Joure voornamelijk klein gebleven nederzettingen, zoals Sint Johannesga, Rottum, Rotsterhaule, Ouwsternijega en Rotstergaast. Ten zuiden en zuidoosten van het Tjeukemeer zijn de dorpen wat groter, zoals Oosterzee en Oosterzee-Buren, Echten en Echtenerbrug, waarbij de laatste nieuwbouwwijkjes kent. In de gemeente Weststellingwerf zijn er de dorpen Langelille, Munnekeburen en Scherpenzeel, die echter allen nog geen 500 inwoners tellen. In dat opzicht heeft Lemmer hier als regionaal verzorgend centrum dezelfde rol als Joure voor het middengebied. De plaats telt nu 10.000 inwoners. Met de aanleg van de Afslutidijk in 1932 werd de rol van de visserij minder belangrijk, terwijl er steeds meer industrie kwam. Lemmer heeft dan ook een omvangrijke industriehaven en een werkhaven. In die tijd breidde de vlecke zich vooral uit ten noorden van de Zijlroede. Vanaf de jaren zestig werden er nieuwbouwwijken in het oosten gebouwd en later in het zuidoosten (wijk Lemstervaart) en noorden (wijken De Brekken en het Ganzendiep). Het Prinses Margrietkanaal laat sinds 1951 Lemmer rechts liggen. Naast het monumentale D.F. Woudagemaal uit 1917 werd de Prinses Margrietsluis aangelegd. In de loop der jaren schoof de bebouwing en waterrecreatie steeds verder in de richting van deze westelijke sluis. Ten westen van de sluis is zelfs al een nieuw industrieterrein aangelegd. Binnen korte tijd is het dorp viermaal zo groot geworden en was er dus sprake van een grote ruimtelijke uitbreiding. Lemmer heeft vooral een centrumfunctie voor het zuiden van Friesland en het noorden van Flevoland.

Thema's


Literatuur

A. Alkema-ten Hoeve, 100 jaar Plaatselijk Belang Ouwster-Trijegeaen : jubileumboek ter ere van het 100-jarig bestaan Dorpsbelang, Ouwster-Trijegeaen. Ouwsterhaule, 2010.

W. Altenburg et al., Het Tjeukemeer : een beschrijving van de geschiedenis, bodemprofiel, flora, (avi)fauna en bedreigingen. Leeuwarden, 1980.
 
S. Bakker, Vier dorpen, één streek : Terband, Luinjeberd, Tjalleberd, Gersloot. Luinjeberd, 2003.
 
W. Bergsma et al., Bydragen ta pleatslike skiednis, Deel II: Skiermuntseach, Harns/Harlingen, Eagmaryp, St. Jansgea, Ousternijegea. Leeuwarden, 1987.

P.C.G.M. Bloemhoff-De Bruyn et al., Veldnaemen van Stellingwarf; Diel V: De Langelille, Munnikeburen, Ni'jtriene, Scharpenzeel, Sliekenborg, Spange. Oldeberkoop, 2003.

J. Boorsma-de Jong, Skiednis fan Eastersee = Geschiedenis van Oosterzee : as in faas mei blommen. Oosterzee, 2000.
 
V. van Dam en S. Langenberg, 84 biografen schrijven Biografie van de vaarweg Lemmer-Delfzijl. Groningen, 2006.

E. Dijkstra-Pekema, Doarpslibben Haskerhoarne : jubileumboek ter ere van het 100-jarige bestaan van Dorpsbelang Haskerhorne. Haskerhorne, 2007.

J. Dijkstra, In slach troch de doarpen Boarnburgum en Koartehimmen. Boornbergum, 2000.

O.G. Dijkstra, Âld Beets : fergetten doarp yn Opsterlân. Nij Beets, 1987.
 
M.F. Fermo, Lemmsterland (Monumenten Inventarisatie Project). Leeuwarden, 1992.

K.F. Gildemacher et al., Haskerlân : in tal bydragen ta de skiednis. Leeuwarden, 1990.

M. Groen, Inwoners van Oldeboorn in de 19-de eeuw : hun huizen en boerderijen. Nuenen, 1997.
 
GS Friesland, Beheersplan voor het reservaatsgebied Echtener- en Groote Veenpolder II. Leeuwarden, 1992.
 
D. Hak, Lemmer: "forneamde haven oan'e Sudersé" . Alphen aan de Rijn, 1990.
 
F. Holtrop en R. Tering, Bantega.  s.l., 2007.

K.J. Huisman, Opstand in de turf : het harde leven in een turfmakersgebied . 3e herz. Druk. Gorredijk, 2011.
 
A. Idzerda, Zowel het nut als genoegen betreffende : Plaatselijk Belang Tijnje 1896-1996. Tijnje, 1996.
 
H. Kingmans, Aldeboarn, het beschermen waard. Leeuwarden, 1990.
 
J. Kroes, De Gietersen in Friesland : de migratie van Noordwest-Overijsselse turfgravers naar het Friese laagveengebied in de tweede helft van de 18e eeuw. Leeuwarden, 1996.
 
A. de Jong, Tusken Tsjûkemar en it Nannewiid : geschiedenis van de dorpen Rohel, Rotsterhaule en Sint Johannesga. Joure, 1996.

A. de Jong, Rotstergaast : doarp oan 'e Tsjonger. Joure, 2000.
 
F. de Jong, Broek, it doarpke yn it wetterlân. Broek, 1987.
 
B.M. Kamphuis, Echtener en Groote veenpolder : sociaal-economische verkenning van een ruilverkavelingsgebied in de Friese Veenweidestreek. Den Haag, 1978.
 
T. Keulen-Feenstra, Follega en Eesterga in de Twintigste Eeuw. Leeuwarden, 1998.
 
J. Klaver, Over molens, waterschappen en veenpolders in de Stellingwerven. Oosterwolde, 1990.
 
A.E. Klijnsma, Lemsterlan : in kuijerke troch it forline. Bolsward, 1975.
 
S. Krikke, Doe't de baarch noch yn 'e beam hong : historisch fotoboek Oudehaske e.o.. Oudehaske, 1991.

B. Ledegang, Nij Beets : dorp tussen petten en pollen. Nij Beets, 2011.
 
T. Mercuur, De Deelen. Gersloot, 2000.
 
B. Oosten, Een veenpolderbevolking : sociografie van de grote veenpolder van Weststellingwerf. Wolvega, 1947.

A. Post, Lemmer toen en nu. Hulst, 1993.
 
C.W. Star Busman, In en om Joure. Joure, 1993.

G.D. Wijnja, Strijd in de Veenpolder : fragmenten uit de molengeschiedenis van de St. Johannesgaster Veenpolder. Balk, 1984.

P.R. van der Zee, Sporen van het verleden : efkes tinke oan de âlde Jouwer : een bundel verhalen over Joure en de Jousters. Joure, 1994.

Organisaties en Links

www.lemsterland.nl

www.skarsterlan.nl

www.boarnsterhim.nl

www.heerenveen.nl

www.opsterland.nl

www.smallingerland.nl

www.weststellingwerf.nl

www.smelneserfskip.nl (historische vereniging Smallingerland)

www.historieweststellingwerf.nl

www.museumopsterland.nl (met o.a. Werkgroep Historie Opsterlân)

www.moaiskarsterlan.nl

www.boarnburgum.nl

www.nijbeets.info

www.damshus.nl (Museum Nij Beets)

www.aldeboarn.net

www.goingarijp.eu

www.terkaple-akmarijp.nl

www.vegelinsoard.nl

www.tynje.nl

www.terwispel.net

www.aengwirden.nl (Tjalleberd, Luinjeberd, Gersloot, Terband)

www.haskerdijken-nieuwebrug.nl

www.joure.nl

www.museumjoure.nl (Douwe Egberts)

www.haskerhorne.com

www.oudehaske.info

www.sintjut.nl (Sint Johannesga en Rotsterhaule!)

www.rottumonline.nl

www.oosterzee.info

www.echtenerbrug.nl (Echten, Echtenerbrug en Delfstrahuizen)

www.bantega.net

www.langelille.com

www.lemmer.net

www.touristinfolemmer.nl

www.woudagemaal.nl