Notice: Trying to get property of non-object in /home/landschap/domains/landschapsgeschiedenis.nl/public_html/deelgebieden.php on line 38
Landschaps Geschiedenis

Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
Schelpenstrand op Makkumer Noordwaard
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

Auteur: Gerben de Vries 

De Zuidwesthoek is als Zuidwest-Fryslan een van de twintig nationale landschappen. Het omvat zo ongeveer alle landschapstypen die Friesland kent. In het noorden liggen terpen met Middeleeuwse verkavelingen. Centraal ligt het zuidelijke deel van het Friese Merengebied, dat een onderdeel vormt van een oorspronkelijke hoogveengebied. Langs de zuidkust ligt het stuwwallenlandschap van Gaasterland, met een uitloper naar Sint Nicolaasga. Het gebied heeft de meeste meren van Friesland en twee van de grootste (Tjeukemeer en Snekermeer) liggen aan de rand. Hier zijn ook vijf van de elf Friese steden te vinden (IJlst, Workum, Hindeloopen, Stavoren en Sloten), terwijl Sneek en Bolsward op de grens van het deelgebied liggen.

De Zuidwesthoek wordt in het noorden begrensd door deelgebied Oostergo, en in het noordwesten deelgebied Het Lage Midden. In het oosten liggen De Veenpolders en in het zuiden en westen het IJsselmeer.

Kenmerken en Bijzonderheden

  • Terpenlandschap
  • Streekdorpenlandschap
  • Vaartdorpen (Hommerts-Jutrijp)
  • Klei-op-veengebied
  • Essenlandschap (Gaasterland: o.a. Sondel, Oudemirdum, Bakhuizen, Hemelum)
  • Terpdorpen (Cornwerd, Wons, Bolsward. Schraard, Exmorra, Tjerkwerd)
  • Weg-of streekdorpen met opstrekkende verkaveling
  • Dijkdorpen (Gaast, Piaam)
  • Steden (IJlst, Workum, Hindeloopen, Stavoren en Sloten)
  • Vlecken (Koudum, Balk, Makkum)
  • Kop-(hals)-rompboerderijen, stolpboerderijen
  • Stookhutten (bakhuzen) in Gaasterland (nu vaak zomerhuisjes)
  • Kanalen: Prinses Margrietkanaal, Van Panhuyskanaal, Workumer Trekvaart, Wijmerts/Bolswrder Zeilvaart, Lange Vliet, Warnser Vaart/Friso Kanaal, Lange Sloot.
  • Meren: Groote Brekken, Slotermeer, Morra, Fluessen, Heegermeer, Groote Gaastmeer, Idzegasterpoel, Vlakke Brekken, Koevorder Meer, Langweerder Wielen, Witte en Zwarte Brekken, Oudegaaster Brekken
  • Bossen: Bremer Wildernis, Van Coehoornbos, Harichsterbos, Jolderenbos, Lycklamabos, Rijsterbos, Star Numanbossen, Steile Bank, Wyldemerk (alle te Gaasterland)
  • Natuurgebieden: Rijsterbos, Roode Klif, Oudemirdumer Klif, Mokkebank (Laaxum), Workumerwaard, Makkumer- en Kooiwaard, Steile Bank (Oudemirdum)
  • Kliffen: Roode Klif, Mirnser Klif, Oudemirdumer Klif
  • Pingoruïnes (Koufurderrige, Wijckel)
  • Eendenkooien (Piaam)
  • Afsluitdijk
  • Luchtwachttoren (Post 6H3, bij Oudemirdum)
  • Staten en stinzen: Heeremastate en Monsma State te Bolsward; Rinia State Oudemirdum; Huis te Rijs.
  • Landgoed Allingastate (Allingawier)
  • Beschermd stadsgezicht: IJlst, Sloten, Hindeloopen, Workum
  • Beschermde dorpsgezichten : Balk, Cornwerd, Heeg, Kornwerderzand, Langweer, Makkum, Piaam, Schraard

Landschapsopbouw

De Zuidwesthoek is een gebied met zeer diverse landschappen. Ten zuiden van de Afsluitdijk en snelweg A7 ligt in het noordwesten van deelgebied De Zuidwesthoek een terpengebied met onregelmatige blokverkaveling. Hier liggen bescheiden dorpen als Cornwerd, Wons, Schraard, Exmorra, Longerhouw en Tjerkwerd. Direct ten zuiden van deze kleistrook ligt een gebied van Makkum aan het IJsselmeer tot Lemmer in het zuidoosten dat tot in de Middeleeuwen een hoogveengebied was. Het laaggelegen gebied heeft in het noorden een laag klei-op-veen, terwijl in het zuiden een aantal grote meren ligt (Oudegaaster Brekken, Vlakke Brekken, Ringwiel, Groote Gaastmeer, Idzegaasterpeol, Heegermeer, Fluessen, Morra, Koevordermeer, Langweerderwielen, Slotermeer, Groote Brekken). Het is een gebied met strokenverkaveling en met veel kleine nederzettingen, vaak streekdorpen langs een lage binnendijk of een vaart. Het grootste deel van het gebied ligt beneden N.A.P., van een halve tot anderhalve meter. In het gebied liggen kleine stadjes als Hindeloopen, Workum, Sloten, IJlst en Staveren, alsmede ‘vlecken’ als Makkum, Koudum en Balk. In het zuiden liggen de zandige en glooiende keileemruggen (gaasten) van Gaasterland. Het vormt met haar kliffen een natuurlijke dijk tegen Zuiderzee en nu IJsselmeer. Het werd sinds de 17e eeuw bebost en is daarom het meest bosrijke gebied van Friesland. Het hoogste punt is 12.70 m + N.A.P., ten zuidwesten van Oudemirdum, waar ook een luchtwachttoren staat. De zandrug heeft een uitloper naar St. Nicolaasga. 

De A7 tussen de Afsluitdijk over Bolsward naar Sneek is de noordelijke grens van het gebied, terwijl de A6 van Joure naar Lemmer de oostgrens vormt. De N354 loopt van Lemmer naar Sneek, over Spannenburg en Jutrijp-Hommerts. De N927 op zijn beurt doorkruist het gebied van west naar oost van St. Nicolaasga naar Sloten en de N359 van Lemmer naar Balk en verder naar de het noorden van Gaasterland, om via Koudum noordwaarts af te buigen naar Workum. Daar gaat de weg verder naar Bolsward en de A7. De treinen van spoorweg Sneek-Staveren rijden langs IJlst, Workum en Hindeloopen. 

In het gebied bestaat de landbouw voor vrijwel 100% uit veeteelt.  Het is een cultuurlandschap dat al honderden jaren intensief gebruikt is. Daardoor zijn er geen stukjes natuur overgebleven. Dit geldt niet voor Gaasterland, waar de zandverstuivingen werden bebost en waar zich een belangrijk deel van de natuurgebieden van De Zuidwesthoek bevindt. Het andere deel ligt voor de IJsselmeerkust ten westen en oosten van Gaasterland. 

Indeling
De Zuidwesthoek behoort tot de gemeenten Sudwest-Fryslàn (in 2011 ontstaan uit de gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek Wonseradeel en Wijmbritseradeel), Gaasterlân-Sleat (in 1984 gevormd uit de gemeenten Gaasterland, Sloten en een deel van Hemelumer Oldeferd), en Skarsterlân (in 1984 gevormd uit de gemeenten Doniawerstal en Haskerland en delen van de gemeenten Utingeradeel en Heerenveen). De Zuidwesthoek behoort tot het in 2004 gevormde Wetterskip Fryslan en in het Streekplan Fryslan 2007 (‘Om de kwaliteit fan de Romte) behoort deelgebied De Zuidwesthoek tot Zuidwest-Fryslân. 

Woonkernen
Abbega, Alingawier, Bakhuizen, Balk, Blauwhuis, Boornzwaag, Cornwerd, Dedgum, Doniaga, Dijken, Elahuizen, Engwier) , Exmorra, Ferwoude, Folsgare, Gaast, Gaastmeer, Greonterp, Hayum, Heeg, It Heidenskip, Hemelum, Hieslum, Hindeloopen, Hommerts, Huins, Idsegahuizum, Idskenhuizen, Idzega, Indijk, Jutrijp, Kolderwolde, Kornwerderzand, Koudum, Koufurderrige, Langweer, Legemeer, Longerhou, Makkum, Molkwerum, Mirns, Nijemirdum, Nijhuizum, Oosthem, Osingahuizen, Oudega I, Oudega II, Oudemirdum, Parrega, Piaam, Ruigahuizen, Rijs, Sandfirden, Schraard, Sint Nicolaasga, Sloten, Smallebrugge, Sondel, Stavoren, Ter Oele, Tjerkgaast, Tjerkwerd, Warns, Westhem, Wolsum, Wons, Workum, Woudsend, Wijckel, IJlst, Ypecolsga.  

Landschapsgeschiedenis

Geologie
Binnen deelgebied De Zuidwesthoek zijn de zandgronden van Gaasterland het oudst. Zij zijn ontstaan tijdens de twee laatste ijstijden, het Saalien en het Weichselien. Tijdens het Saalien (die tot plm 130.000 jaar geleden duurde) breidden ijskappen vanuit Scandinavië zich uit over een groot deel van Nederland. Gletsjers schuurden als bulldozers brede, diepe dalen uit, zoals het gebied waar nu de meren Heegermeer, Fluessen en Morra liggen. Bij Gaasterland stuwde de ijskap zand, leem en keien op tot hoge bulten van keileem. De hoogten van Koudum, Warns en het grootste deel van Gaasterland zijn zulke heuvels. Waar later de zee in het zuiden de keileemhoogten bereikte, ontstonden kliffen. Het 10 m hoge Roode Klif ligt op zo’n steile keileemhelling.

Tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien) brak een warmere periode aan. De zeespiegel steeg en in Friesland werd zeeklei afgezet. Daarna werd door de wind overal dekzand afgezet, die heden ten dage nog aan de oppervlakte treedt in de Friese Wouden. Een smalle dekzandzone loopt bovendien van Langweer naar Heeg, Oudega (W.) en Sandfirden. Tenslotte ontstonden aan het einde van het Weichselien dobben of pingoruïnes, in Gaasterland onder meer ten noordwesten van Wijckel. 

Na de ijstijden begon met het Holoceen (vanaf plm 10.000 jaar geleden) een veel warmer en vochtiger tijdperk. In het noorden en westen van deelgebied De Zuidwesthoek werd zeeklei afgezet en ontstond een kwelderlandschap. Door de hogere temperaturen steeg ook het grondwaterpeil en werd meer water door de rivieren afgevoerd. Door de vernatting van het milieu werd een veengebied gevormd dat behalve Gaasterland het grootste deel van het deelgebied omvatte. Door het steeds verder opdringen van de Zuiderzee werd vervolgens van Cornwerd tot Stavoren in het westelijk deel van het deelgebied een kleistrook gevormd. Ook vanuit het noorden werd door de zee een laag klei-op-veen afgezet, in een gebied tussen Sneek, IJlst, Sandfirden, Koudum en Warns (3e tot 7e eeuw n.Chr. en later in de Middeleeuwen). 

Vroegste bewoning
De hoogten van Gaasterland moeten al vroeg bewoond zijn, getuige het feit dat in 1849 een hunebed werd gevonden bij Rijs. De stenen werden helaas afgevoerd, al verrichtte de bekende archeoloog prof.dr. A.E. van Giffen later nog archeologisch onderzoek op de site. Maar ook eerder al werden de stuwwallen van de Zuidwesthoek door jagers bezocht. Er zijn bijlen en afslagen bij Elahuizen, Hemelum en Oudemirdum uit ongeveer 100.000 jaar v.Chr. gevonden. Vanaf 15.000 jaar geleden zijn er bewoningssporen, zoals twee ateliers van vuursteenmakers bij Kolderwolde van de Hamburgercultuur (plm 10.000 v.Chr.) Dicht bij deze vindplaats werden ook sporen uit de aaneensluitende Tjongercultuur gevonden. Bewijzen van permanente bewoning zijn getraceerd bij Warns, uit de Midden-Steentijd (8800-4900 v.Chr.). In de Nieuwe Steentijd (4900-2000 v.Chr.) gingen de bewoners landbouw bedrijven. Uit deze periode stamt het hunebed, met de hunebedden van Noordlaren en Heveskesklooster (beiden in de provincie Groningen), het enige dat buiten Drenthe werd gevonden. 

Gaasterland bleef ook tijdens de Bronstijd (2100-1800 v.Chr.) bewoond, maar tijdens de IJzertijd (800 v.Chr tot begin jaartelling) en de Romeinse Tijd (begin jaartelling tot plm 450 n.Chr.) zijn er geen menselijke sporen gevonden. Ten noorden van Gaasterland lag een hoogveengebied, waar ook geen mensen woonden. Verder naar het noorden lag evenwel een gebied van slikken, zandige wadden en kwelders met vruchtbare kleigrond. Hier wierpen vanaf 700 tot 500 V.Chr. permanente bewoners terpen op tegen hoge zeewaterstanden. Het gebied werd begrensd door twee slenken die vanuit zee de kwelders binnendrongen: de Marne en de Middelzee. Hier ontstonden terpdorpen als Wons, Schraard, Longerhouw en Tjerkwerd. De Marne mondde ten zuiden van Harlingen uit in het Vlie. Langs de hoofdgeul van het Vlie, aan de latere Zuiderzeekust, lagen op de oeverwal van klei terpdorpen als Cornwerd, Makkum, Idsegahuizen en Piaam. Deze kalk- en zavelrijke klei was zeer vruchtbaar, terwijl meer landinwaarts zware, kalkarme knipklei was afgezet.  

Middeleeuwen (800-1500)
Het noordelijke terpengebied van deelgebied de Zuidwesthoek werd een welvarende streek. Van de vier Friese markt- en muntplaatsen lagen er twee in of bij het deelgebied. Bolsward ontwikkelde zich op het kruispunt van de Marneslenk en de Middelzee tot een strategisch gelegen stad. Stavoren lag eveneens strategisch, aan de kust waar de Waddenzee en de pas ontstane Zuiderzee elkaar raakten. In de 10e eeuw werd begonnen met de ontginning van de hoogvenen ten zuiden en oosten van het kleigebied van de Zuidwesthoek. Dit bracht waterstaatkundige problemen voor de kleigebieden met zich mee. Daarom werd nog in diezelfde eeuw de eerste dijkjes aangelegd en ontstonden de ‘moederpolders’. Vervolgens werd ook de Marneslenk en het eerste deel van de Middenzee afgedamd. Om de ten zuiden van de Marnedijken gelegen gronden te beschermen tegen het water uit de venen, werden binnenpolders of hemmen gevormd. De Hemdijk werd een belangrijke binnendijk (tevens weg), die van Sneek en IJlst naar Westhem, Blauwhuis naar Tjerkwerd liep. 

Tussen Parrega en Oosthem in het noorden, Wolsum en Koudum in het westen en Gaasterland in het zuiden strekte zich een hoogveengebied uit. Het noordelijkste stukje daarvan was nog een strook klei-op-veen, maar de rest was veengebied. Vanuit de terpdorpen in het noorden werden ontginningskolonies gesticht. Tussen Workum en Sneek waren er zes ontginningsblokken, te weten Workum/Het Heidenschap/Noordwolde, Hieslum/Greonterp, Abbega/Oudega, Oosthem/Heeg, IJlst/Sint Nicolaasga en in het oosten Sneek/Tjeukemeer. Vanuit Workum, Hieslum/Greonterp, Abbega, Oosthem, IJlst en Sneek werden vanaf veenbeken grens- en kavelsloten steeds dieper het veen in gegraven en zo ontstonden komloze streekontginningsdorpen met in veel gevallen eigen stenen kerken. Door de ontginningen daalde het maaiveld soms wel drie meter en liepen de laagste delen vol met water. Hierdoor ontstonden veel meren, onder meer de grote Fluezzen en de Koufurd. Het Tjeukemeer en het Slotermeer waren overigens al eerder ontstane natuurlijke meren.  

Het glooiende heuvellandschap van Gaasterland was overdekt met heide. Vanuit het oudste klooster van Friesland, het de Sint Odulfsabdij te Staveren, werd dit gebied vanaf de 9de eeuw ontgonnen. Net als in Drenthe werden ontstonden dorpen als Bakhuizen, Hemelum, Mirns, Oudemirdum, Nijemirdum en Sondel op de flanken van de stuwwal, terwijl hun akkercomplexen op de hoogste delen lagen. Aan de Zuiderzeekant lagen de laaggelegen hooilanden. Anders dan de noordelijke delen van De Zuidwesthoek kregen hier slechts enkele dorpen een kerk of een kapel, zoals Rijs, of een klooster zoals Hemelum. Wel was Gaasterland in de Middeleeuwen toneel van vetestrijd tussen de hoofdelingen, die stinzen in Oudemirdum, Nijemirdum, Sondel, Mirns, Bakhuizen en Rijs hadden. Een enkele maal trokken boeren en hoofdelingen gezamenlijk ten strijde, zoals in 1345, toen bij Staveren de zogeheten Slag bij Warns het Hollandse leger werd verslagen. 

Boeren en elite (1600-1800)
Sinds de 16e eeuw kwam steeds meer woeste grond in Gaasterland in handen van de adel (de opvolgers van de hoofdelingen). Grootgrondbezitter Hiob de Ruyter de Wildt (van de Admiraliteit van Amsterdam) liet eind 17e eeuw heideland ontginnen tot akkers en bossen, het latere Rijsterbosch. Ook andere edelen en patriciërs zoals de families Van Wijckel, Van Coehoorn, Aylva en Thoe Schwartzenberg en Hohelansberg hadden hier landhuizen en lieten bossen aanleggen. Vestingbouwer Menno van Coehoorn polderde bovendien langs het Slotermeer een stuk boezemland in. Datzelfde deed grietman van Doniawerstal Johan Vegelin van Claersbergen rondom Sint Nicolaasga, waar hij tussen 1731 en 1741 vijf polders liet aanleggen.  

Ook in de rest van De Zuidwesthoek domineerden adel en patriciaat het platteland. Onder hun leiding werden in dit gebied de meeste meren en plassen van Friesland werden drooggemalen, de zogenaamde droogmakerijen. Dat gebeurde vooral in de 17e eeuw, zoals het Noorder- en Zuidermeer bij Stavoren, het Sensmeer bij Blauwhuis en de laagstgelegen polder van Friesland, de Fallingabuurster en Aaltjemeerpolder bij Ferwoude. Dat gebeurde overigens niet alleen om landbouwkundige redenen, omdat het vaak veen- en zandbodems waren van matige kwaliteit. De boeren gebruikten ze in het winterhalfjaar dan ook wel als bergboezem. Ten behoeve van de veiligheid van de laaggelegen gronden, werden in de 18e eeuw slaperdijken gelegd, onder meer ten westen van Lemmer, bij Sondel en bij Koudum. 

In deze periode ontwikkelden een aantal voornamelijk agrarisch gerichte nederzettingen zich tot stadjes en vlekken. Dankzij haar zeer gunstige ligging in het hart van Friesland overvleugelde Sneek (net buiten het deelgebied) langzaam maar zeker het stadje IJlst, dat in de 13e eeuw uitgegroeid was tot een handels- en nijverheidsplaats. Dieper het binnenland in werd Sloten (midden 15e eeuw een stad genoemd) pas in 1571 een zelfstandige parochie. Het lag aan de belangrijkste vaarweg tussen Sneek en de Zuiderzee en had zo contacten met de Hanzesteden aan de IJssel. Sloten werd in de 17e eeuw door Menno van Coehoorn een echte vestingstad. Woudsend, Makkum en Molkwerum waren ‘vlecken’, een typisch Friese mengvorm van dorp en stad met een stedelijke nederzettingsvorm. In de bloeitijd in de 18e eeuw deed de Woudsender vloot veel buitenlandse havens aan. Molkwerum was als ‘archipeldorp’ uiterst merkwaardig. Aan de Zuidzeekust lagen de stadjes Workum, Hindeloopen en Staveren. Zij waren vanuit het binnenland alleen per schip te bereiken en lagen geïsoleerd ten opzichte van het Friese achterland. Mede daarom richtten zij zich net als Makkum en Molkwerum sterk op Holland. Met name in Hindeloopen lieten de interieurs de kosmopolitische gerichtheid van de inwoners zien.  Tenslotte waren Heeg en Gaastmeer palingvissersdorpen, die hun waren tot in Londen verkochten. Als gevolg van de scheepvaart ontstonden in IJlst, Woudsend en Heeg ook scheepswerven.

Moderne tijd (1800-1950)
In de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw was de Friese Zuidwesthoek een welvarende streek. De landbouw bloeide en de stadjes en vlecken waren betrokken bij een levendige handel op Holland, Engeland en geheel Noord-Europa. Wel waren er nog veel waterstaatkundige problemen, want een groot deel van dit laaggelegen land kampte in het winterhalfjaar met overstromingen. Landverkeer ging vrijwel uitsluitend over hem-, polder- en slaperdijken. Alleen tussen Gaasterland en Heerenveen liep via de zandrug van Sint Nicolaasga een weg. De in 1844 aangelegde rijksweg van Sneek naar Lemmer was de eerste doorgaande weg over een nieuw, waterrijk tracé. Hierdoor ontstond ook enkele decennia later een nederzetting bestaande uit boerderijen langs die weg: Koufurderrige. 

De Zuidwesthoek was een van die gebieden in Friesland die zwaar door de landbouwcrisis (1878-1895) werden getroffen. Het was allereerst een crisis in de graanteelt, want Nederland kreeg nu in toenemende mate te maken met de concurrentie van goedkoop graan uit de Verenigde Staten en Rusland. Ook de traditionele afzet van boter naar Groot-Brittannië en andere landen stagneerde, vooral omdat er op grote schaal geknoeid werd met de kwaliteit van de zuivelproducten.  Dit trof de veehouderij zwaar. Veel Friezen emigreerden naar onder meer de Verenigde Staten, anderen degradeerden van kleine boer tot landarbeider. Toch werd in rond het midden van de eeuw nog een aantal meren drooggemalen, zoals de Flait (1854, bij Koudum) en het Haanmeer (1858, tussen Koudum en Hindeloopen). De grootste droogmakerij was die van de 850 ha grote Makkumer, Parregaaster en Workumer Meren in 1878. 

De crisis in de veehouderij uiteindelijk werd met succes bestreden. In 1879 werd het Friesch Rundveestamboek opgericht, om de kwaliteit van de veestapel te verbeteren. Enkele jaren later volgde vanuit Warga de opmars van de coöperatieve zuivelfabrieken, die een betere kwaliteit boter leverden dan die van de boerderij zelf. In de Zuidwesthoek verrezen vanaf eind 19e eeuw diverse ‘boterfabrieken’: in Balk, Boornzwaag, Heeg, Hemelum, Koudum, Langweer, Lemmer, Makkum, Sint Nicolaasga, Oosthem, Oudega, Sloten, Warns, Workum, Woudsend. Het was de triomf van de coöperatieve gedachte, waar niet alleen gezamenlijk kunstmest en zaaigoed werd aangekocht, maar ook allerlei coöperatieve verenigingen werden opgericht. Slotstuk was de bouw van coöperatieve boerenleenbanken in de grotere dorpen. In dezelfde periode volgde op de agrarische crisis de neergang van de kleine steden en vlekken aan de Zuidzeekust. Het benadrukte in de 20ste eeuw nog meer het agrarische karakter van de Zuidwesthoek.

Gaasterland was begin 19e eeuw het meest bosrijke gebied van Nederland. De bezittingen van de families De Ruyter de Wildt en Van Wijckel kwamen aan de familie Van Swinderen. Deze familie legde vaarten en wegen aan en hield zich bezig met bebossingen en ontginningen. Ook elders in Gaasterland (Sondel, Balk, Wijckel) en op de zandrug van Sint Nicolaasga waren er landgoederen en voorname huizen. Na 1900 werden de bezittingen van de familie Van Swinderen ondergebracht in de Maatschappij Gaasterland, die bijna 1000 ha bos liet kappen. De grond werd vooral verkocht aan kleine boeren uit de omgeving. Pas in de jaren twintig ging het gemeentebestuur zich vanuit het oogpunt van natuurschoon sterk maken voor de resterende bossen. Het eerste toerisme begon, gesteund door reisgidsen over Gaasterland. Ook de meren in de Zuidwesthoek profiteerden in deze periode van de recreatieve belangstelling van sportieve Nederlanders. 

Actuele vraagstukken

Verbeterde afwatering voor de Zuidwesthoek 
Al eeuwenlang had het Friese Merengebied en het Lage Midden, twee begrippen die elkaar deels overlappen, ’s winters last van hoog water. Hele gebieden stonden soms tot een half jaar onder water. Nog eenmaal werd de provincie getroffen door een overstroming van zout water. De februarivloed van 1825 brak de dijken bij Workum, Gaasterland en Lemmer, zodat eenderde van Friesland onderliep. Binnendijken als de Hemdijk, de Marnedijk en de Pingjummer Gouden Halsband konden het water aanvankelijk keren. Omdat het binnenwater nu geblokkeerd was en niet weg kon stromen, stond op een gegeven moment zelfs tweederde van de provincie blank. Het gevolg was dat sindsdien de zeedijken versterkt en verhoogd werden. In de 19e eeuw werden echter veel particuliere polders opgericht. Het gevolg was van de inpoldering en de bemaling was dat de oppervlakte boezemwater en boezemland steeds kleiner werd. Zo werd er steeds meer water op een kleinere oppervlakte boezem gebracht, zodat veel landerijen tot ver na de winter onderliepen.
 
In de 19e eeuw werd vanuit de scheepvaart gelobbyd de Friese meren droog te leggen en in plaats daarvan kanalen te graven. Dat kwam er niet van en steeds meer gingen de gedachten uit naar kunstmatige bemaling. Zeker nadat in 1910 weer 44.000 ha in zuidwestelijk Friesland was overstroomd, werd besloten een groot gemaal te bouwen. In 1920 werd dit gemaal ten westen van Lemmer gerealiseerd, dat na de pensionering van de verantwoordelijke hoofdingenieur het D.F. Woudagemaal werd gedoopt. Het gemaal werd gebruikt om het Friese boezempeil (Fries Zomerpeil-FZP) te verlagen. Na de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 was het nieuwe IJsselmeer twee jaar voldoende ontzilt om geregeld water in te laten op de Friese boezem in te laten, als dat ’s zomers te laag stond. Toch bleef vooral Zuidwest-Friesland nog lang kampen met winterse wateroverlast. Nog in de winter van 1965-1966 liep eenderde van de provincie onder water. Later dat jaar kwam bij Staveren het J.J. Hooglandgemaal gereed. Vanaf 1967 nam dit gemaal de rol over van het D.F. Woudagemaal. Omdat het anderhalf maal de capaciteit had van het oude gemaal, wist het sindsdien Friesland goed droog te houden. De ruilverkavelingen van de laatste decennia hebben door het graven van heel veel kilometers waterlopen veel extra boezem gecreëerd. 

Ruilverkavelingen in De Zuidwesthoek
Deelgebied De Zuidwesthoek was – behalve Gaasterland dan - van oudsher een zeer waterrijk gebied. De natte infrastructuur zorgde ervoor dat de nederzettingen per schip gemakkelijk bereikbaar waren en bood kansen voor de transportsector. Daar stond tegenover dat het gebied in het winterhalfjaar voor een belangrijk deel onder water stond, hetgeen voor de landbouw grote nadelen had. Het grasgewas bijvoorbeeld kwam het volgende voorjaar pas laat op gang en bovendien waren de landerijen lange tijd voor zwaarder transport onbereikbaar. Na de Tweede Wereldoorlog werd van overheidswege schaalvergroting in de landbouw nagestreefd, onder meer om de nationale voedselvoorziening veilig te stellen. Ruilverkaveling was daarvoor een nuttig instrument. Door het ruilen van kavels, het vergroten van de percelen, de verbetering van de afwatering en de aanleg van wegen in het buitengebied kon de landbouw veel efficiënter produceren. De rijks- en provinciale overheden gaven over het algemeen dan ook snel toestemming voor een ruilverkaveling. Het duurde meestal wel enkele jaren voordat de meerderheid van de betrokken agrariërs ook met de ruilverkavelingsplannen instemde. 
 
In deelgebied De Zuidwesthoek vonden de ruilverkavelingen plaats vanaf de karen zestig van de 20ste eeuw. In 1955 werden de eerste pogingen om tot een ruilverkaveling door de gemeenten Gaasterland en Hemelumer Oldeferd alsmede enkele waterschappen, zeven jaar later gevolgd door de gemeenten Sloten en Wijmbritseradeel. Het ging om een gebied tussen Woudsend en Oudemirdum, met ‘vlecke’ Balk centraal en de stad Sloten aan de oostkant. Voor de gronden in Gaasterland was het voornaamste motief de versnippering van de percelen, voor de andere landerijen de gebrekkige waterbeheersing. Voor alle gronden – in totaal 10.500 ha - gold dat ze slecht ontsloten waren. In 1963 werd de aanvraag voor de ruilverkaveling ‘Gaasterland’ door de betrokken boeren goedgekeurd. Drie jaar later, in 1966, gebeurde hetzelfde met een kleinere ruilverkaveling in de gemeenten Hemelumer Oldeferd, Gaasterland en Staveren met de naam ‘Warns’ (2960 ha). Tussen 1964 en 1976 werd een flink deel van zuidwestelijk Friesland op de schop genomen. Door de ruilverkaveling ‘Gaasterland’ werden bijvoorbeeld 90 km wegen en maar liefst 165 km waterlopen aangelegd. Er werden twaalf nieuwe boerderijen gebouwd en tien verplaatst. Tevens werden 5000 bomen en 750.000 struiken geplant. Opvallend was dat de verstandhouding tussen de agrariërs en de opkomende natuurorganisaties goed gebleven was. Ook in de ruilverkaveling ‘Warns’ werden er veel lapjes grond samengevoegd. Het verkavelingspatroon veranderde vooral bij de Zuidfennenspolder, de Witte Akkers bij Elfbergen, de Huitebuursterpolder ten zuidoosten van Oudemirdum, de polder Nieuwe Grasfennen en de Sondelerpolder ten zuidoosten van Sondel. 
 
In 1970 stemden de boeren in met de ruilverkaveling ‘Hommerts-Oppenhuizen’ (4350 ha), die voor de helft in deelgebied De Veenpolders lag. De ruilverkaveling ‘Koudum’ (6950 ha) had meer voeten in de aarde. Ook hier was, net als bij ‘Gaasterland’ en ‘Hommerts-Oppenhuizen’ al in 1955 een eerste aanvraag voor een ruilverkaveling gedaan. ‘Koudum’ lag in de gemeenten Hemelumer Oldeferd, Hindeloopen, Staveren, Wonseradeel en Workum en hier wilden de boeren betere landwegen, een betere waterbeheersing en natuurlijk ook grotere percelen. Ze konden het onderling echter niet snel eens worden en pas in 1977 werd een meerderheid voor de ruilverkaveling verkregen. In de jaren tachtig werden de werkzaamheden in de driehoek Staveren, Gaastmeer en Workum uitgevoerd, waarbij een lager slootpeil werd bepaald. Vijftien nieuwe gemalen zorgden voor een betere waterhuishouding, terwijl er 80 km nieuwe waterlopen werden gegraven. Er kwamen 40 km nieuwe of verbeterde wegen en slechts 7.5 km fietspad. Voor nieuwbouwwijken werd 300 ha gereserveerd, terwijl Staatsbosbeheer de beschikking over 400 ha natuurterrein kreeg. De ruilverkaveling kostte 62 miljoen gulden en werd in 1994 definitief afgesloten. 
 
De laatste drie ruilverkavelingen waren vlakdekkend voor de rest van De Zuidwesthoek. In 1985 stemden de boeren in met de ruilverkaveling ‘Wonseradeel-Zuid’ (8700 ha), in de gemeenten Wonseradeel, Wijmbritseradeel, Bolsward en de nieuwe gemeente Nijefurd (bestaande de voormalige gemeenten Hemeulmer Oldeferd, Workum, Hindeloopen Staveren). Het was het gebied tussen Workum en de A7. In deze periode werd de ruilverkaveling tot een landinrichting en deze duurde twintig jaar. In 2005 werd ‘Wonseradeel-Zuid’ afgesloten. Er was 55 miljoen euro geïnvesteerd in landbouw, natuur, nieuwe wegen en fietspaden, restauratie van molens en de aanleg van nieuwe gemalen. Maar een van de laagste polders van Friesland, de Workumermeer, werd uiteindelijk niet tot natuurgebied bestemd. Pas in 1990 werd de ruilverkaveling ‘Wymbritseradeel’ aangenomen. Het was een gebied van 8.400 ha, gelegen in de gemeenten Wymbritseradeel, Sneek, Wonseradeel en Littenseradeel, tussen Scharnegoutum bij Sneek en Gaastmeer. Voor de ruilverkaveling ‘Doniawerstal’ werd zelfs pas in 1993 door de boeren gestemd. Deze lag in de gemeenten Skarsterlân en Lemsterland en was 4.710 ha groot. De ruilverkaveling ‘Wymbritseradeel’ werd in 2010 voltooid en kostte 40 miljoen euro. Hier werd wel grond vrijgemaakt voor een ecologische verbindingszone vanaf het Heegermeer bij Gaastmeer tot aan de Abbegaaster Pollen, een broedgebied voor weidevogels. Bovendien werd in dit kader in 2011 nog een natuurpark in Ysbrechtum geopend. Bij de ruilverkaveling ‘Donaiwerstal’ – tussen Joure en de westkant van het Tjeukemeer – kwamen er zeven nieuwe gemalen. In totaal werd 400 ha niet verkaveld, vooral omdat het een bestemming als oude of nieuwe natuur kreeg. Zo kwam er 120 ha reservaatsgebied bij en 45 ha bos, verspreid over het gebied. Vooral bij St. Nicolaasga, gelegen op een zandige uitloper van Gaasterland, werden bospartijen geplant. Er verrezen drie nieuwe boerderijen in het gebied. In 2007 werd de definitieve akte van toedeling getekend. 

Thema's

Het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân 
In 2005 werd het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân een van de twintig nationale landschappen. Friesland heeft ook nog een Nationaal Landschap Noardlike Fryske Wâlden. Het nationale landschap heeft vrijwel dezelfde grenzen als deelgebied De Zuidwesthoek: ten zuiden van de A7 en ten westen van de A6 tot aan de IJsselmeerkust. Het ligt in de gemeenten Gaasterlân-Sleat, Skarsterlân en Súdwest-Fryslân (per 1 januari 2011 ontstaan uit de voormalige gemeenten Wonseradeel, Bolsward, Wijmbritseradeel, Sneek en Nijefurd). Alleen de stad Sneek valt buiten het nationale park, net als Lemmer in het zuidoosten. 

Al vanaf begin jaren zeventig van de 20ste eeuw werden er plannen gesmeed voor nationale landschapsparken. Nationale parken zouden natuurreservaten worden, maar in nationale landschapsparken was er ook plaats voor wonen en werken. Wel diende het landschap beschermd te worden. Zuidwest-Friesland was van meet af aan in beeld, om een nationaal landschap te worden, net als de vier Friese Waddeneilanden. In zuidwestelijk Friesland waren de bewoners bang dat de watersport sterk aan banden zou worden gelegd. Eind 1981 maakten de samenwerkende gemeenten in dit gebied bij het rijk bezwaar tegen aanwijzing als nationaal landschap. Dat bezwaar werd afgewezen. Gaandeweg onderkende het gebied de grote recreatieve en toeristische mogelijkheden van een nationaal landschap, zeker als het rijk hiervoor forse investeringen wilde doen. In 1988 werd Zuidwest-Friesland officieel aangewezen als nationaal park. In dat kader werd door de gemeente Gaasterland twee jaar later een bezoekerscentrum in Oudemirdum in gebruik genomen.  

Pas met de Nota Ruimte uit 2004 kwam er schot in de aanwijzing tot nationale parken. Zuidwest-Friesland en de Noordelijke Friese Wouden kwamen weer in beeld. Westergo viel vanwege te weinig draagvlak af. In 2005 startte het Nationaal Park Zuidwest-Friesland. Al na een paar jaar scoorde Zuidwest-Friesland bijzonder hoog als een van de meest gewaardeerde landschappen van Nederland. Informatiecentrum Mar en Klif in Oudemirdum biedt veel informatie over natuur, landschap en cultuurhistorie van Nationaal Park Zuidwest-Friesland, dat omgedoopt werd tot Zuidwest-Fryslân. Het is hoe dan ook een uiterst gevarieerd landschap, met vier verschillende landschapstypen. In het noorden de kleistreken en de hemmen (polders) met diverse terpdorpen, in het zuiden de gaasten, bossen en kliffen van Gaasterland. De IJsselmeerkust heeft prachtige kleine stadjes en natuurgebieden, terwijl de centraal gelegen veenweidestreken en de meren vooral de waterrecreant trekken. Over het nationaal park is ook de film Grutsk gemaakt. 

Literatuur

G.Abma, Himmelumer Aldefurd en Noardwâlde : in tal aspekten fan de skiednis fan in eardere gritenij (Leeuwarden 1992).
 
G. Blom, Stadsgezicht Hindeloopen (Leeuwarden 1989). 
 
G. Blom et al, Historische plattegronden van Nederlandse steden. Deel 11. De elf steden van Friesland. Deel 1: Dokkum, Harlingen, Hindeloopen,
Stavoren en Workum (Lisse/Leeuwarden 2006)
 
B. Boersma et al, Gaasterland. Eeuwenoud land tussen Mar en klif (Leeuwarden 2005).
 
B.L. Boonstra et al, Staveren: hoofdstad van de Friese kusten en het verhaal van ‘de jonge Siebren’ (Leeuwarden 2011). 
 
S.J. Fockema Andreae en G. Bakker, IJlst 1268-1968 (Leeuwarden 1968). 
 
K.F. Gildemacher, Wêr is it lân sa wiid : Wymbritseradiel : wat bleef en veranderde (Leeuwarden 2010). 
 
K.F. Gildemacher, Hindeloopen: stad van levende herinneringen (Leeuwarden 2012). 
 
P. de Haan, Staveren, o Staveren : een geschiedenis van Stavoren (Stavoren 2002). 
 
M. Hendriks, Balk : van "vlecke" tot centrum van bedrijvigheid : beknopte geschiedenis rondom 500 jaar Balk (Balk 1983). 
 
S. ten Hoeve, Heeg, een dorpsgezicht (Leeuwarden 1995). 
 
K. Jansma, Het verhaal Wûnseradiel:..dat âlde, âlde paad…(Leeuwarden 2010). 
 
P. Karstkarel en R. Terpstra, Vestingstad Sloten (Leeuwarden 1988).
 
P. Karstkarel, Bedevaart van Wons over Schettens en Longerhouw naar Schraard (Leeuwarden 1999). 
 
P. Karstkarel, Bloedmooi Wûnseradiel: : landschappen, vaarten, dorpen, droogmakerijen, dijken, monumenten (Leeuwarden 2006). 
 
G. Koopmans, Koudum fan doe en nou (Koudum 2003). 
 
D. Kuipers, IJlst en Sloten in heden en verleden (Groningen 1972). 
 
P. Mandemaker en Th. Rijpkema, 'Strune yn en om Sint Nyk' = 'Struinen in en om Sint Nicolaasga' (St. Nicolaasga 1995). 
 
Plaatselijk Belang Balk, Balk (Balk 2000). 
 
S. Rodenhuis en G. Kingma, Adeldom verplicht: de geschiedenis van de familie van Swinderen in Gaasterland (Leeuwarden 2010). 
 
M.Schroor, Tussen Hemdijk en Klif. Het nationale landschap Zuidwest-Fryslân (Leeuwarden 2012). 
 
L. Stilma, Workum (Kampen 1993) 
 
P.J. Tichelaar, Tichelaar Makkum 1700-1876 en ibidem 1868-1863 (Leiden 2004). 
 
J.H.P. van der Vaart, Kadastrale atlas fan Fryslân 1832; Dl. 12: Wymbritseradiel-súd en Drylts : de kadastrale gemeenten Heeg, Oppenhuizen,
Woudsend en IJlst (Leeuwarden 2000). 
 
W.P. Vellinga, By de Far lâns : skiednis fan de Jutryp-Hommerts en Lippenwâlde (Sneek 1983). 
 
K. de Vries, Makkun: sier en sied fan Wûnseradiel (Bolsward 1965). 
 
G. Twijnstra en G.D.Th. Wassenaar, 'Een aardig landstadje' : Workum in historische reisbeschrijvingen (It Heidenskip 2007). 
 
J. Walinga, Tussen Brek en Skuttel : historie van de dorpen Oudega, Idzega en Sandfirden (Augustinusga 1986). 
 
N.J. Waringa, De dorpen Sondel, Nijemirdum, Oudemirdum, Rijs, Mirns, Bakhuizen (Wijckel 2006). 
 
N.J. Waringa, Z.W.Hoek, Hemelumer-Oldeferd, Koudum, Molkwerum, Warns, Scharl, Laaksum, Het Roode Klif, Hemelum (Wijckel 2006). 
 
J. Westerhof, Woudsend en Woudsenders (Woudsend 1986). 
 
D. Zondervan, Woudsend in de vorige eeuw (s.l. 2002). 

Organisaties en Links

www.sudwestfryslan.nl
www.fryslansudwest.nl
www.gaasterlan-sleat.nl 
www.skarsterlan.nl 
www.marenklif.nl 
www.aldfaerserf.nl (museum Exmorra)
www.dorpwons.nl 
www.makkum.nl 
www.schraard.com
www.schettens-longerhouw.nl 
www.skuzum.nl (Idsegahuizum)
www.ferwoude.eu 
www.parrega.nl 
www.tsjerkwert.nl (Tjerkwerd)
www.exmorra.info 
www.blauhus.nl 
www.abbegea.nl 
www.dorpsarchieven.nl (Oosthem)
www.ijlst.nl 
www.archiefijlst.nl 
www.langweer.nl
www.jutrijp-hommerts.nl 
www.workum.nl 
www.warkumserfskip.nl 
www.hindeloopen.nl 
www.it-heidenskip.nl (Heidenschap)
www.degaastmar.nl (Gaastmeer)
www.heeg.nl 
www.dorpsarchieven.nl (Historische Kring Woudsend)
www.woudsendonline.nl 
www.koudum.nl 
www.molkwerum.nl 
www.staveren.nl 
www.warns.nl 
www.hemelum.nl 
www.oudega-wymbrits.nl 
www.elahuizen.nl 
www.balk.nl 
www.harich-ruigahuizen.nl 
www.wikel.nl (Wijckel)
www.sloten.nl 
www.idskenhuizen.com 
www.st.nicolaasga.nl  
www.bakhuizen.nl 
www.oudemirdum.nl 
www.nijemirdum.info
www.nijemardum.nl (Nijemirdum)
www.riedo.nl (Sondel)
www.historiegaasterland.nl 
www.gaasterland-natuurland.nl 
www.werbinik.nl (Gaatserland-Sloten)