Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
elzensingel
it Mandefjild, holle weg
rand Nanninga's Bos
beuk in de tuin van het Iwemasteenhuis
De Ryth
Kerkhof van Roderwolde
leidijk langs de Jilt Dijksheide
Bolmeer
Holmerpad 1
De 'bult'van Marum: restant van een stinswier
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

 Auteur: Ben Westerink 

In het Westerkwartier zijn een zestal landschapstypen te onderscheiden:


a.    Rondom de oude streekdorpen op de zandruggen ligt een coulisselandschap waarin de houtsingels domineren; het wordt aangeduid als het houtsingellandschap.  
b.    Aan de noordzijde van het Westerkwartier liggen zeekleipolders. Ze ontstonden vanaf de 13e eeuw toen grote delen van de Lauwerszee systematisch werden ingepolderd. Het is een open gebied met monumentale boerderijen. Dit deel van het Westerkwartier wordt tot het dijkenlandschap gerekend.
c.    De kerkdorpen Noordhorn en Zuidhorn liggen op een geïsoleerde 5 m hoge zand-keileemrug (aangeduid als gast) die tijdens de voorlaatste ijstijd werd gevormd.
d.    Tussen de zandruggen liggen laaggelegen venige gebieden. Hier overheersen weilanden. Het landschap is veel opener met sloten als perceelsranden. We spreken van een laagveenlandschap.
e.    In het zuidelijk deel van het Westerkwartier overheerst het veenkoloniale landschap. Het is kleinschaliger dan de uitgestrekte veenkoloniën van Oost-Groningen. Plaatselijk zijn bossen aangeplant.
f.    Ten zuiden van Opende zien we enkele restanten van een hoogveen-ontginningslandschap met heideveld relicten.


Traditioneel wordt onder het Westerkwartier het gebied ten zuiden en westen van het Reitdiep gerekend. Aan de zuidzijde strekt het Westerkwartier zich uit tot aan de provinciegrens met Drenthe. Aan de westzijde vormt de Lauwers de grens met Friesland.

Het Westerkwartier omvatte destijds vier voormalige gouwen: Humsterland (Niehove, Oldehove, Saaksum), Middag (Ezinge, Aduard, Hoogkerk; vroeger Hunsingo), Vredewold (Tolbert en omstreken) en Langewold (Grootegast en omstreken), en voorts de grietenij Visvliet en het gebied Ruigezand.

Het Westerkwartier wordt doorgaans onderverdeeld in het Noordelijk Westerkwartier (gemeente Zuidhorn en de voormalige gemeente Ezinge; grotendeels gevormd door de voormalige eilanden Middag-Humsteland) en het Zuidelijk Westerkwartier (de gemeenten Grootegast, Marum en Leek).

Het hier omschreven deelgebied 5 omvat de oorspronkelijke gemeenten Grijpskerk (inmiddels bij Zuidhorn gevoegd), Zuidhorn, Oldekerk (inmiddels bij bij Grootegast gevoegd), Grootegast, Marum en Leek. Het aangrenzende en verwante Ruigezand en de Ruigezandsterpolder behoorden oorspronkelijk bij de gemeente Oldehove en zijn nu (met geheel Oldehove) bij Zuidhorn gevoegd. Deze beide polders worden beschreven in deelgebied 6: Lauwerszeegebied en Kollumerland. De voormalige eilanden Middag en Humsterland behoren tot het Noordelijk Westerkwartier en worden beschreven in deelgebied 12: Middag-Humsterland + Reitdiepgebied.

Omdat dit deelgebied grotendeels wordt gevormd door het Zuidelijk Westerkwartier (afgekort als ZWK) wordt in deze beschrijving de naamgeving ZWK gebruikt.


Kenmerken en Bijzonderheden

  • Linten van oude streekdorpen gelegen op zandruggen (Langewold) of op de rand van een zandplateau (Vredewold).
  • Een verdicht houtwallenlandschap met verspreide boerderijen buiten de dorpen.
  • De meeste dorpen hebben nog de middeleeuwse baksteenkerken (Doezum, Lettelbert, Marum, Midwolde, Niebert, Niekerk, Noordhorn, Nuis, Tolbert, Zuidhorn), soms nog gedeeltelijk van tufsteen voorzien (Doezum, Niekerk, Zuidhorn).
  • Pingoruïnes op de zandgronden. Markante voorbeelden zijn het Ronde Meer en Bolmeer.
  • Borgen en borgterreinen: Coendersborg, Nienoord en Iwema steenhuis.
  • Landschapselementen die herinneringen aan de natte verveningen: open laaggelegen weidegebied en aangemaakte petgaten (vaak onderdeel van natuurterreinen). Ook het Leekstermeer wordt gezien als het resultaat van ontginning en verveningen.
  • In het zuiden van Vredewold bevindt zich een kleinschalig veenkoloniaal landschap met kenmerkende vaarten en wijken die vanuit het Leeksterhoofddiep en de Jonkersvaart werden gegraven. Langs de vaarten ontstond een karakteristieke lintbebouwing (b.v. Jonkersvaart) en een tweetal streekdorpen (Zevenhuizen en De Wilp).
  • Aan de noordzijde ligt een open dijkenlandschap van zeekleipolders met oude dijken, voormalige dijktracés en uitwateringssluizen (zijlen), monumentale boerderijen en zijldorpen (Niezijl, Visvliet, Pieterzijl, Munnekezijl, Kommerijl en Lauwerzijl).
  • De inbraakgeul die vanuit de Lauwerszee aan de keileemrug van Noordhorn-Zuidhorn aan de oostzijde omspoelde en zijn weg vervolgde in het stroomdal van de Oude Riet, is door inversie thans veranderd in een kleirug. Langs de Dijkstreek, westelijk van Enumatil, is deze rug duidelijk  herkenbaar in het landschap.  
  • Het ZWK is het minst Gronings van de Groninger gewesten. De Friese invloed is duidelijk merkbaar in het Westerkwartierse dialect.

Landschapsopbouw

Tijdens de voorlaatste ijstijd ontstonden op de pleistocene ondergrond van het ZWK een aantal zuidwest-noord-oost georiënteerde ruggen  en zandplaten. De oude dorpen van het ZWK liggen op deze ruggen of op de randen van zandplaten. De keileemrug waarop Noordhorn en Zuidhorn liggen, heeft echter een afwijkende oriëntatie; dit reliëf ligt vrijwel noord-zuid. De zandruggen werden vanouds als gasten aangeduid. Namen van dorpen als Grootegast, Lutjegast en de historische straatnaam Gast in Zuidhorn herinneren hieraan.

In de zandbodem van het ZWK zijn talloze ronde, soms met water gevulde, depressies te vinden die als  pingoruïnes  worden geïnterpreteerd. Het zijn de restanten van bolvormige ijsheuvels die zich tijdens de laatste ijstijd vanuit opkwellend grondwater hebben gevormd.

In het centrale deel van het ZWK bevindt zich tussen de zandruggen een beekdal dat het gebied in tweeën verdeeld.  Het beekdal werd de scheiding van twee landschappen; het noordelijk deel kreeg de benaming Langewold, terwijl het zuidelijk Vredewold werd genoemd. De waterloop die door het beekdal stroomde, ontsprong in de omgeving van Trimunt nabij de grens met Friesland. Het riviertje wordt meestal als Oude Diep aangeduid.  Het diep ”omarmt” de rug van Noordhorn-Zuidhorn aan de oostzijde en duikt aan de noordzijde van het ZWK in het zeekleigebied weer op als Oude Riet en Kommerzijlsterrijt. Tegenwoordig is de oude waterloop gekanaliseerd en enigszins versneden. In het huidige landschap is het riviertje te traceren als een combinatie van het Oude diepje, Oude Diep, Dwarsdiep, Matsloot, Zuidhorner tocht en Oude Riet.

In Langewold liggen een tweetal zandruggen. Op de noordelijke rug is het dorp Lutjegast ontstaan. Op de zuidelijke rug vinden we Doezum, Grootegast, Sebaldeburen, Oldekerk, Niekerk en Faan. Opende ligt op de rand van een zandplateau.

Tussen beide zandruggen van Langewold bevindt zich een laagte met ontgonnen veenvlakten en deels aangemaakte petgaten. In deze laagte werd in 1575 het Kolonelsdiep uitgegraven. Dit waterloopje voldeed al snel niet meer aan de eisen die de scheepvaart stelde. Als alternatief werd in 1654 het Hoendiep gegraven. Een deel van het Hoendiep - tussen Noordhornerga en Stroobos - werd in 1938 verbreed tot het Van Starkenborghkanaal.

In Vredewold vinden we de reeks dorpen Marum, Nuis, Niebert, Tolbert, Midwolde, Lettelbert en Oostwold. Ze bevinden zich op de rand van een zandplaat die onderdeel is van het hoger gelegen Drents-Friese zand- en keileemplateau. Vrijwel al deze dorpen moeten voorgangers gehad hebben die dichter bij de Oude Diep lagen. Marum vormt hierop een uitzondering. Het dorp ontstond op een zandkop in de onmiddellijke nabijheid van het Oude Diep en is nooit verplaatst. Noordwijk en Lucaswolde hebben een wat afwijkende positie. Deze dorpen liggen weliswaar ten noorden van de Oude Diep maar – omdat ze vanuit Marum werden gesticht - behoren ze wel tot Vredewold. Noordwijk en Lucaswolde liggen ten zuiden van de Leidijk. Deze veendijk vormde vanouds de grens tussen Langewold en Vredewold en is nog altijd de gemeentegrens tussen Marum en Grootegast.

In Vredewold ontstaan in de loop der eeuwen oost-west of west-oost afsplitsingen van jongere parochies. Niebert en Nuis zullen vanuit Marum of Tolbert zijn ontstaan. Het oostelijk deel van Oostwold splitste zich af als Laagemeeden. Doordat dit dorp landschappelijk werd gescheiden door de aanleg van het Hoendiep schoof de kerk en de bewoning van Laagemeeden op naar Den Horn.

Het noordelijk deel van het gebied is onderdeel van het zeekleilandschap. Het ontstond toen in de Late Middeleeuwen grote delen van de Lauwerszee vanuit het ZWK werden ingepolderd. Het is een open landschap waarin dijken en voormalige dijktracés de inrichting bepalen. Langs of in de onmiddellijke omgeving van de Lauwers ontstonden de zijldorpen Visvliet, Pieterzijl, Munnekezijl en Lauwerzijl. Het is een ruimtelijk landschap dat slechts wordt verstoord door de gasopslag van de NAM even ten noorden van Grijpskerk.

In het zuidelijk deel van het ZWK lag een uitgestrekt hoogveenmoeras: de Nienoorter en Smilder Venen. Dit gebied werd vanaf de 16e eeuw grootschalig ontgonnen om wille van het turfwinning. Vanuit het Leekster Hoofdiep en de Jonkersvaart werden diverse wijken gegraven waarlangs de turf werd afgevoerd. Hier ontstond een kleinschalig veenkoloniaal landschap.

De veengebieden ten zuiden van Lettelbert en Oostwold werden in de loop van de Middeleeuwen ontgonnen. Door beakkering, turfwinning en zelnering (zoutwinning uit met zout verzadigd veen) vond hier daling van het maaiveld plaats waardoor het Leekstermeer ontstond.

In het beekdal van het Oude Diep en Langs de Lauwers werd vanaf de 18e eeuw op diverse plaatsen aan natte vervening gedaan. Open plassen met diverse stadia van verlanding, die petgaten genoemd worden, waren het resultaat.

De laatste systematische verveningen vonden plaats aan het einde van de 19e eeuw. In de Tweede wereldoorlog is er plaatselijk nog veen gebaggerd. Grote delen van de petten werden gedempt en ingericht als (laaggelegen) landbouwgrond. De polders Zuidpolder en Tolberter Petten zijn hiervan het resultaat. Een deel van de petten is thans onderdeel van natuurterreinen. Voorbeelden hiervan zijn de Tolberter Petten, Lettelberter Petten en de petgaten langs de Lauwers achter Peebos.


Landschapsgeschiedenis

Geologie

De ondergrond van het gebied werd gevormd tijdens de twee laatste ijstijden (Saalien en Weichselien) en maakt deel uit van het Drents Friese keileemplateau.  Vanaf circa 6000 voor Chr. begint het gebied geleidelijk te vernatten en wordt veengroei mogelijk. Deze veenontwikkeling was indirect het gevolg van de zeespiegelstijging. De zandruggen in het ZWK begonnen rond 1500 - 1000 voor Chr. onder het veen te verdwijnen. Aangenomen wordt dat de uitbreiding van de voedselarme hoogvenen doorging tot in de Vroege Middeleeuwen.
In de 6e-7e eeuw na Chr. werd de invloed van de zee in het noorden van het ZWK merkbaar. De ingebroken Lauwerszee bereikte dan het gebied en liet een kleidek achter op het veen.  

Vroegste bewoning

De prehistorie

Tot 6000 voor Chr. lag de Pleistocene ondergrond van het ZWK droog en waren grote delen van het gebied geschikt voor bewoning. Op de zandige ondergrond zijn veel bewoningssporen uit de steentijd aangetroffen. Alle perioden uit de steentijd zijn hierbij vertegenwoordigd: het midden-paleoliticum (Neanderthalers), laat-paleolithicum (rendierjagers), mesopaleolithicum (jagers, verzamelaars) alsmede het neolithicum (de Trechterbekercultuur) en de vroege Bronstijd.

Een voorbeeld van zo’n uitgebreide vindplaats is de Hooge Traan bij Boerakker. Hier hebben amateurarcheologen veel vondsten gedaan. Er zijn talloze stekers, krabbers, bijlen en pijlpunten van vuursteen, verkoolde hazelnootdoppen, haardkuilen, etc. aangetroffen.  De Trechterbekercultuur bleek goed vertegenwoordigd in de vondsten. Zowel bij Boerakker en in de Tolberter Petten zijn verschillende pijlpunten, krabbers en vuistbijlen uit deze periode aangetroffen. Vanwege de uitbreidende veengroei is permanente bewoning na de midden Bronstijd in het ZWK niet meer te verwachten. Vanaf circa 1000 voor Chr. verdwenen de bewoningssporen onder het veen. Het landschap van het ZWK werd onbegaanbaar totdat in de Vroege Middeleeuwen de kolonisten vanuit het noorden kwamen.

Middeleeuwen (800-1500)

De ontginningen van Langewold en Vredewold

Omstreeks 3000 voor Chr. begint in het ZWK de veengroei flink op gang te komen. Uiteindelijk zou vrijwel het gehele gebied met een metersdik veenpakket bedekt worden; alleen in het uiterste zuiden van Vredewold bleven enkele zandkoppen boven  + 5 m NAP vrij van veen.
Er is weinig onderzoek gedaan naar de ontginningsgeschiedenis van de veengronden in het ZWK. Een multidisciplinaire analyse naar het ontstaan van landschap ten westen van de Lauwers (Achtkarspelen en Dantumadeel), dat zeer verwant is met het ZWK, heeft uitgewezen dat de ontginningen aldaar rondom 700 na Chr. op gang kwamen. Het is aannemelijk dat ook in het ZWK de veengronden in deze periode al in cultuur werd genomen. Figuur 1 geeft een overzicht van de systematiek in de veenontginningen aan weerszijden van de Lauwers. In 2001 zijn bij een archeologische onderzoek nabij Gaarkeuken en Stroobos aanwijzingen verkregen dat de veenontginning richting Lutjegast en Doezum mogelijk al in de 6e eeuw is begonnen.

Het veen werd van vegetatie ontdaan, ontwaterd en in akkerland omgezet. Onduidelijk is of er in deze periode ook turf werd gestoken. Op de ontgonnen gronden werd aanvankelijk met succes graan geteeld. Maar al snel kwamen er problemen. Door de inklinking en oxidatie van het veen daalde de bodem en ging het gebied vernatten. Op zoek naar nieuwe akkergronden trokken de bewoners dieper het veen in. Met de bewoners schoven ook de dorpen mee het veen in. De kerkjes werden afgebroken en elders weer opgebouwd, maar kerkhoven bleven doorgaans nog eeuwenlang in het landschap liggen. Door deze verplaatsingen kwamen de bewoners uiteindelijk terecht op zandhoogten die op een geringe diepte onder het veen lagen. Daar waar men – letterlijk - vaste grond onder de voeten kreeg, stagneerde de verplaatsingen en ontstonden de huidige dorpen.

Figuur 1. Schematisch overzicht van de vroegmiddeleeuwse veenontginningen aan weerszijden van de Lauwers
Figuur 1. Schematisch overzicht van de vroegmiddeleeuwse veenontginningen aan weerszijden van de Lauwers.

Aan de noordzijde van de veenverkaveling werden de bewoners in de 7e of 8e eeuw verrast door de komst van de Lauwerszee. Aanwijzingen hiervoor werden in 2001 verkregen toen bij Stroobos en Gaarkeuken bij een grondverzet een opvallende waarneming werd gedaan. Onder de afzettingen van de Lauwerszee werd een oude veenverkaveling aangetroffen. Deze verkaveling zou al uit de 7e eeuw kunnen dateren. De kavelrichting kwam overeen met de huidige kavelpatroon. Deze vroege veenontginning zal tot bodemdaling hebben geleid, waardoor de Lauwerszee zich nog verder landinwaarts kon uitbreiden. De bewoners waren dus al aan het verkavelen voordat de komst van de Lauwerszee hen verraste. Waarschijnlijk hebben de ontginners zich niet gerealiseerd dat zijzelf de uitbreiding van de Lauwerszee hebben veroorzaakt.

De loop van de zuidwest-noordoost verlopende Oude Riet is bepalend geweest voor de verkaveling van het ZWK. Deze waterloop deelt het landschap in tweeën. Aan beide zijden van de rivier liggen zandruggen waarop een reeks dorpen ontstond. De landstreek aan de noordzijde van het Oude Riet werd Langewold genoemd; de zuidzijde kreeg de benaming Vredewold.

In Langewold ontstonden de dorpen Doezum, Grootegast, Lutjegast, Sebaldeburen, Oldekerk, Niekerk en Faan. In Vredewold vinden we een reeks dorpen tussen Marum via Nuis, Niebert, Tolbert, Midwolde, Lettelbert en Oostwold.

Het oorspronkelijke slotenpatroon maakt duidelijk dat het ZWK op systematische wijze werd verkaveld. Er kunnen in dit patroon diverse afzonderlijke kavelblokken worden onderscheiden. In Figuur 2 zijn deze met verschillende kleuren weergegeven. De blokken blijken als puzzelstukjes te passen binnen de oorspronkelijke parochiegrenzen.

Figuur 2. Overzicht van de vroegmiddeleeuwse verkaveling van het ZWK. De afzonderlijke kavelblokken zijn met verschillende kleuren weergegeven. Deze blokken sluiten goed aan bij de oorspronkelijke parochiegrenzen. De middeleeuwse kerken zijn weergegeven. De grijze kerken zijn de oudste (11e/12e eeuw) en waren oorspronkelijk van tufsteen; de rode kerken zijn van baksteen en worden wat later gedateerd (13e eeuw)
Figuur 2. Overzicht van de vroegmiddeleeuwse verkaveling van het ZWK. De afzonderlijke kavelblokken zijn met verschillende kleuren weergegeven. Deze blokken sluiten goed aan bij de oorspronkelijke parochiegrenzen. De middeleeuwse kerken zijn weergegeven. De grijze kerken zijn de oudste (11e/12e eeuw) en waren oorspronkelijk van tufsteen; de rode kerken zijn van baksteen en worden wat later gedateerd (13e eeuw).


Langewold

Bij de grote inbraak waarbij omstreeks 600-800 na Chr. de Lauwerszee ontstond werd een groot deel van het grondgebied van het Westerkwartier weggespoeld. Figuur 3 geeft een indruk van de maximale omvang van de Lauwerszee. Slechts een smalle strook kwelderland (de Stroobos-Dorp-Grijpskerk-Oxwerderstreek) ten noorden van Lutjewolde bleef bewoonbaar. De bewoners van deze strook werden in de 7e verrast door de uitbreiding van de Lauwerszee. Hun venige gronden – die al deels waren verkaveld – werden bedekt door een laag klei. Vermoedelijk hebben de bewoners deze overstroming overleefd en bleven ze actief om vanuit de overstroomde locatie het noordelijk deel van de venen van Langewold verder te ontginnen.

Figuur 2 laat zien dat de bewoners van Langewold de veengronden vanuit vier richtingen hebben verkaveld. De noordelijk deel werd ontgonnen vanuit de kwelders. Het zuidelijk deel vanaf de oevers van de Oude Riet. In het westen vormde de Lauwers de ontginningsbasis en in het oosten de rug van Zuidhorn. De oude voorgangers van de dorpen van Langewold lagen langs de toenmalige zeekust. De dorpen Doezum, Lutjegast, Grootegast, Sebaldeburen waren het resultaat van deze ontginningen. Op een aantal plaatsen lijken de ontginningsrichtingen vanuit het zuiden en het noorden op elkaar te stuiten. De dorpen Oldekerk en Niekerk zijn op de grenslijn van deze kavelblokken ontstaan.

Niet op alle plekken is de verkaveling van Langewold direct te duiden. De zandondergrond van het ZKW vertoont een complex reliëf en plaatselijk zullen zandkoppen de veenverkaveling beïnvloed hebben.  Zo is ten zuidwesten van Oldekerk de oorsprong van de verkaveling minder duidelijk. Mogelijk heeft het hier gelegen klooster Kuzemer een eigen bijdrage geleverd aan de ontginningen. Ook ten zuiden van Doezum en Grootegast (de huidige Zuidpolder) stuiten we op een probleem. Op de topografische kaart van Huguenin (1819-1829) wordt dit gebied weergegeven als een uitgestrekt veenmoeras. Het is niet uitgesloten dat dit moeras vanuit een middeleeuwse verkaveling is ontstaan. Vernatting van dit gebied door bodemdaling zou de oorzaak kunnen zijn dat dit gebied in de loop van de eeuwen weer is veranderd in woeste grond. Vooral Lucaswolde, dat ingeklemd lag tussen het dorpsgebied van Grootegast en de Oude Riet,  moet door deze vernatting zijn getroffen. Als we een serie oude kaarten vergelijken, blijkt Lucaswolde geleidelijk (en letterlijk) van de kaart te verdwijnen.  

Vredewold

Vredewold werd verkaveld vanuit de zuidoever van de Oude Riet. Loodrecht op de veenrivier ontstonden waaiers van parallelle sloten. De oorsprong van de bewoningsas Marum-Nuis-Niebert-Tolbert-Midwolde-Lettelbert-Oostwold moeten we dus langs de zuidoever van de Oude Riet zoeken. De positie van Marum is daarbij bijzonder. De oorspronkelijke verkaveling rondom dit dorp is zeer kleinschalig.  Maar ook hier vormt de Oude Riet (en een zijstroompje) de basis van de ontginning. Marum ontstond op een zandhoogte dicht bij de bedding en heeft een es-achtige structuur. De relatief hooggelegen locatie zal de reden zijn dat het dorp nooit werd verplaatst. Archeologische vondsten bij Marum (en Nuis) tonen aan dat dit gebied reeds in de vroege middeleeuwen (7-9e eeuw) bewoond moet zijn geweest. Trokken de ontginners zo diep de venen in en kozen ze de verste uithoek van de bovenloop van de Oude Riet als hun woonplaats? Heeft het reliëf in de zandondergrond een rol gespeeld bij het ontstaan van dit dorp? Het feit dat Marum als enige dorp van de reeks Marum-Oostwold een tufstenen kerk had, doet vermoeden dat hier diep in het veen de bewoning van Vredewold wel eens kan zijn begonnen.

De parochiekerk van Marum
Tussen de oevers van de Oude Riet en de dorpenreeks Marum-Oostwold moeten nog oudere bewoningslinten liggen. Het slotenpatroon suggereert een aantal van deze oude lijnen. Mogelijk stonden hier de voorgangers van de huidige kerken en hun kerkhoven. Er wordt in dit gebied veel middeleeuws aardewerk gevonden. Een nauwkeurige datering van dit aardewerk zou het opschuiven van de bewoning hier in kaart kunnen brengen. Helaas zal de aanleg van de A7 veel van deze sporen hebben uitgewist.

De vele middeleeuwse kerken vormen de bekroning van de dorpsvorming in het ZWK. Een aantal parochiekerken (Marum, Zuidhorn, Noordhorn, Doezum, Sebaldeburen, Oldekerk, Niekerk) werd uit tufsteen gebouwd en dateert tenminste uit de 12e eeuw. Omdat tufstenen kerken kostbaar zijn, moet het ZWK in deze periode een welvarende streek geweest zijn. In de Late Middeleeuwen doet zich een ander beeld voor. Vredewold is dan veranderd in een geïsoleerde en betrekkelijk arme landstreek. De dorpen Lucaswolde en Faan zijn inmiddels vrijwel verdwenen. Pas in 1455 kreeg de stad Groningen belangstelling voor de streek. De stadjers lieten een brug slaan over de Nijensloot in Enumatil waardoor het gebied werd ontsloten.

De Lauwers als spiegel

Als we de ontgonnen veenlandschappen aan beide zijden van de Lauwers vergelijken, vallen een aantal overeenkomsten op. Het cultuurlandschap lijkt zich te spiegelen in de grensrivier. Beide gebieden hebben een duidelijke opstrekkende verkaveling vanuit het wierden- en terpengebied. In beide gebieden zien we een vergelijkbare veervormige slotenpatroon dat uitgaat van de Lauwers. Doezum ligt op dezelfde afstand van de Lauwers als Surhuizum. Het Friese deel kende acht karspelen of parochies (vandaar de naam Achtkarspelen), het Groninger deel kende er negen. Beide landschappen worden op vergelijkbare locaties door een veenrivier in tweeën gedeeld. Deze riviertjes kregen vrijwel dezelfde naam: het Friezen spreken van Oude Ried, de Groningers van Oude Riet.

Figuur 3. De Lauwerszee rond 1200. De inbraak is nu volledig bedijkt. De eerste zeedijk is met rode lijnen aangegeven.

Figuur 3. De Lauwerszee rond 1200. De inbraak is nu volledig bedijkt. De eerste zeedijk is met rode lijnen aangegeven.

De inpoldering van de Lauwerszee

Als de eeuwen verstrijken en de veenontginningen zijn afgerond en de dorpen van Langewold en Vredewold op de kaart zijn gezet, gaan de bewoners van het ZWK een nieuwe uitdaging aan. Vanaf de 12e of de 13e eeuw beginnen grote delen van de Lauwerszee weer dicht te slibben. Vanuit de Waddenzee werd voortdurend sediment gevoerd naar de verspoelde gronden van de Lauwerszee.  De inwoners van Sebaldeburen, Oldekerk en Niekerk zullen de aangroei van deze nieuwe kwelders met grote belangstelling hebben gevolgd.

De toenmalige kuststrook bestond uit een 2 km brede zone zeeklei die grensde aan de zandrug van Lutjegast. Op deze kleistrook was rond 1100-1200 de Westerhorndijk-Oxwerderdijk opgeworpen die van Stroobos via de Hillemastede langs de Oxwerderstreek naar de Zandrug van Noordhorn werd gelegd. Deze dijk was onderdeel van de eerste alomvattende zeedijk die rond de Ommelanden werd gelegd. In de archieven wordt deze dijk soms als de Oude Langewolder zeedijk of de Roder omschreven. Over de Roder zijn weinig schriftelijke gegevens te vinden. In het oorspronkelijke slotenpatroon is de locatie van de oude dijk echter zeer goed herkenbaar. Aan de zuidzijde van de verdwenen dijk ligt een onregelmatige blokverkaveling. Deze verkaveling is kenmerkend voor het oude onbedijkte wierdenlandschap en is van middeleeuwse oorsprong. Aan de noordzijde van de Roder zien we een opstrekkende verkaveling die deel uitmaakt van de oudste ingepolderde kwelders.

Behalve in het slotenpatroon is de oude Roder dijk ook zeer goed herkenbaar op een hoogtekaart. Aan de noordzijde van het tracé ligt het maaiveld beduidend hoger dan aan de zuidzijde (zie Figuur 4). Deze terreinsprong kan worden verklaard door de opslibbing tegen de dijk vanuit de Waddenzee. Op het dijktracé van de verdwenen Roder ontstond een lange reeks boerderijplaatsen die tot op de huidige dag deze locatie trouw zijn gebleven. Hilmahuis, Hillegestede en de boerderijenreeks van Oxwerd maken deel uit van dit oude dijktracé.

Deze oude zeedijk die aanvankelijk diende om het ZWK te beschermen, kreeg een tweede functie. Hij diende als Figuur 4 . Hoogtekaart van het westelijk deel van Langewold. Duidelijk zichtbaar is de zandrug waar Sebaldeburen en Niekerk op liggen. Aan de oostzijde domineert in donkerbruin de keileemrug van Zuidhorn. Oostelijk en zuidelijk daarvan is de inbraak van de Oude Riet zichtbaar. Deze voormalige geul is door 'inversie” veranderd in een kleirug. Enumatil ontstond op deze rug. Zelfs de gronden aan de zuidzijde van het klooster Kuzemer bestonden uit zeeklei afkomstig uit de inbraak! Aan de noordzijde van de kaart zien we onder Grijpskerk het hoogteverschil dat de Lauwerszee tegen de Oude Langewolderdijk heeft veroorzaakt. basis voor de inpolderingen van de Lauwerszee. De inpolderingen kwamen goed op gang nadat in 1240 het Gerkesklooster werd gesticht. De plaats die de monniken uitkozen voor hun behuizing was zeer strategisch gelegen: direct langs de toenmalige zeekust en in de onmiddellijke nabijheid van de monding van de Lauwers. De kloosterlingen hebben aan weerszijden van de Lauwers veel inpolderingen tot stand gebracht. Als Cisterciënzers waren ze immers specialisten in het in cultuur brengen van woeste gronden.


Figuur 4 . Hoogtekaart van het westelijk deel van Langewold. Duidelijk zichtbaar is de zandrug waar Sebaldeburen en Niekerk op liggen. Aan de oostzijde domineert in donkerbruin de keileemrug van Zuidhorn. Oostelijk en zuidelijk daarvan is de inbraak van de Oude Riet zichtbaar. Deze voormalige geul is door 'inversie” veranderd in een kleirug. Enumatil ontstond op deze rug. Zelfs de gronden aan de zuidzijde van het klooster Kuzemer bestonden uit zeeklei afkomstig uit de inbraak! Aan de noordzijde van de kaart zien we onder Grijpskerk het hoogteverschil dat de Lauwerszee tegen de Oude Langewolderdijk heeft veroorzaakt.


De eerste polderdijk werd omstreeks 1320 gelegd, was oost-west georiënteerd en liep evenwijdig aan de Roder. De dijk wordt wel de nieuwe Langewolderdijk genoemd. Hiermee werd het gebied nabij Visvliet bedijkt. Het tracé van deze verdwenen dijk is bewaard gebleven in het talud van de Friesestraatweg.

Anders dan langs de Waddenkust, waar het nieuwe land in de vorm van oost-west verlopende kwelderwallen werden afgezet, werden in de Lauwerszee kweldereilanden of ooghen gevormd. Eenmaal boven de hoogwaterlijn gelegen, kwamen deze eilanden snel tot rijping. Deze ruig begroeide eilanden vormden de basis voor de latere polders. Het woord ruig vinden we nu nog terug in de benamingen Ruigewaard en Ruigezand van de nieuwe polders. De eilanden waren van elkaar en van de vaste kust gescheiden door kreken en wadgeulen. Deze waterlopen zijn het ingepolderde bewaard gebleven en worden rieten genoemd.

Figuur 5. De inpoldering van het Lauwerszee aan de westzijde van de Lauwers. De zeven zijlen langs de Lauwers zijn met pijlen weergegeven.De polder die door nieuwe Langwolderdijk werd gevormd, was de eerste van een lange reeks inpolderingen. In de eeuwen die volgden ontstond er een dicht netwerk van dijken waardoor de Lauwerszee  steeds verder werd teruggedrongen. Een cruciale locatie in de dijk was de uitwateringssluis of zijl waarmee de Lauwers werd afgesloten. Telkens als er een nieuwe polder werd gevormd en de zeedijk naar het noorden opschoof, moest ook de zijl in de Lauwers worden verplaatst. In totaal is de zijl zo’n zeven keer opgeschoven (zie Figuur 5). Bij de zijlen ontstonden zijldorpen. De dijken van het Westerkwartier vormen overigens één geheel met het dijkenpatroon van Oost-Kollumerland aan de Friese zijde van de Lauwers.






Figuur 5. De inpoldering van het Lauwerszee aan de westzijde van de Lauwers. De zeven zijlen langs de Lauwers zijn met pijlen weergegeven.



Zeven zijlen

De eerste zijl in de Lauwers werd omstreeks 1250 door de monniken in de onmiddellijke nabijheid van hun abdij te Gerkesklooster gelegd. Tien laar later legde men zo’n 2 km stroomafwaarts de Schalkendam.  In 1320 verplaatste de afwatering zich naar de Bartoluszijl waarbij Visvliet ontstond. Omstreeks 1425 werd de Ruigewaard – een voormalig kweldereiland - ingepolderd. De zijl schoof nu op naar Lamberhuse, het latere Pieterzijl. Deze zijl lag overigens niet in de Lauwers maar in een gegraven verbindingskanaal: het Pieterzijlsterdiep. Daarom heet de Lauwers ten westen van Pieterzijl de Oude Lauwers.  In 1450 werd de Munnekezijl gelegd. In 1660 werden de Waardsterpolder en in 1795 de Ruigezandsterpolder bedijkt.

Doordat de monding van de Lauwers ging dichtslibben werd er in 1754 vanuit Munnekezijl in de onbedijkte kwelder een vervangende waterloop gegraven, het Munnekezijlsterriet,  waarin de Lauwerzijl als buitensluis functioneerde. Deze zijl bleef in functie totdat in 1877 de nieuwe zeedijk over Zoutkamp werd gelegd. Het Munnikezijlsterriet kreeg een eigen schutsluis in deze dijk: de Friese Sluis. Voor de zevende keer het water van de Lauwers een nieuwe zijlplaats gekregen.

Tijdens de bedijking van de Ruigewaard lag het initiatief overigens niet uitsluitend bij de monniken van Gerkesklooster. Ook de  patriciersfamilies Akckema en Grijp waren nauw betrokken bij de ontginning van de Ruigewaard. De Grijpskapelle die de familie liet bouwen werd tot parochiekerk verheven en vormde de kern van de nederzetting Grijpskerk langs de nieuwe Langewolderdijk. In 1842 werd het tracé van deze dijk als Friesestraatweg rechtstreeks met de stad Groningen doorverbonden.

De afwatering van Langewold

De waterafvoer van Langewold verliep aanvankelijk via het Oude Riet. Toen deze waterloop ging dichtslibben namen een aantal Langewolder waterlopen deze taak over. In de Roderdijk werd de Oxwerderzijl gelegd. Vanaf het klooster Kuzemer onder Sebaldeburen werd vervolgens het Wolddiep gegraven. Via de Bomster- en de Nijesloterzijl nabij Niezijl werd het water van het Wolddiep in de Wadden geloosd.

In die periode werd ook het opslibbende kwelderland rondom de Oude Riet bedijkt en in cultuur genomen waardoor de voormalige honderden meters brede inbraakgeul volledig uit het landschap verdween. In de dwarsdijken werden zijlen gelegd; achtereenvolgens bij Frytum (1453), Balmahuizen (1457), Kobbemaheerd (1566) en Kommerzijl (1598). Door de Kommerzijl kon tevens het Niezijlsterdiep in zee lozen. Deze zijl maakte de Bomster- en Nijesloterzijl te Niezijl overbodig. De Kommerzijl zou dienst doen tot de afsluiting van het Reitdiep in 1877.

De verdwenen inbraakgeul van de Oude Riet is goed herkenbaar op een hoogtekaart (zie Figuur 4). De kleigronden waarmee de geul is dichtgeslibd liggen nu hoger dan het omringende land. De geul had het veen in de bedding weggespoeld waardoor er in latere eeuwen vooral inklinking plaats vond van de gronden buiten de geul; een proces dat inversie genoemd wordt. In de omgeving van Enumatil – dat op dit reliëf  ontstond – is de rug (hoewel plaatselijk afgegraven) nog duidelijk  herkenbaar in het landschap. Het is een uniek geomorfologisch verschijnsel dat bescherming behoeft.

Dankzij de inpolderingen van de Lauwerszee raakte Langewold steeds meer op het noorden gericht. De dorpen Oldekerk en Sebaldeburen hadden bij de veenontginningen een belangrijke rol gespeeld.
Het kerspel Oldekerk werd omstreeks het jaar 900 gesticht. Het toenmalige dorp omvatte het grondgebied van de huidige dorpen Oldekerk, Niekerk, Faan en Niezijl. Niekerk werd omstreeks 1000 van Oldekerk afgescheiden. Faan werd vervolgens van Niekerk afgescheiden. In het noorden grensde Oldekerk aanvankelijk aan de Lauwerszee. Het zuidelijk gedeelte heette toen Oldekerk-boven. Ten noorden hiervan lagen de zeekleigronden die als Oldekerk-beneden werden aangeduid. In 1651 werd Oldekerk in tweeën gesplitst. Oldekerk-beneden heette voortaan Niezijl. Het Hoendiep werd de grens tussen de twee dorpen.
Het kerspel Sebaldeburen wordt wel beschouwd als de moderparochie van Langewold. Hier stond in de 12e eeuw een forse tufstenen kruiskerk. Ook Sebaldeburen werd gesplitst in Sebaldeburen-boven en  -beneden. Sebaldeburen-beneden werd het latere Grijpskerk. Sebaldeburen moet nu leven met een eenvoudig dorpskerkje

Nieuwe tijd (1500-1800)

Omstreeks het jaar 1000 was het opschuiven van de ontginningsdorpen tot stilstand gekomen. De dorpen lagen nu definitief op hun plaats. Vanuit de bewoningsas Marum-Oostwold vonden in de loop der eeuwen nog wel kleinschalige ontginningen plaats. Immers in de achtertuinen van de dorpelingen strekte zich nog altijd een onafzienbaar groot veengebied uit. Op het ontwaterde hoogveen werd boekweit verbouwd. Hier en daar werd turf gestoken voor eigen gebruik. Op wat grotere schaal werd er turf geproduceerd door de kloosterlingen van Aduard. De abdij had veel brandstof nodig voor de baksteenproductie en verveende vanuit de nabij Roden gelegen kloosterboerderij in Terheijl.

De oude bewoningsas van Niebert en Nuis lag aanvankelijk enkele honderden meters zuidelijker dan de huidige kernen. Het Malijksepad en het Holmerpad herinneren nog aan deze situatie. Toen de zandweg Oostwold-Marum werd verhard tot straatweg concentreerde de bewoning van beide zich dorpen aldaar.

Turfgraven in het ZWK

Het systematische turfgraven in het nog onontgonnen deel van het ZWK begon in de 16e eeuw. Het was Wigbold van Ewsum die het initiatief nam tot één van de vroegste verveningen van Noord-Nederland. Vanaf 1508 kocht hij grote stukken hoogveen met de bedoeling om het te laten afgraven en als turf te verkopen. In 1525 stichtte hij de borg Nienoord. Wigbold overleed in 1528 en zijn zonen Wigbold, Johan en Christoffel hebben zijn werk voortgezet. Vooral zoon Wigbold toonde zich zeer actief. Omstreeks 1560 liet hij het Leekster Hoofddiep gegraven om de venen te ontwateren en de turf af te voeren. De basis voor het Diep vormde het veenstroompje de Leke dat in verbinding stond met het Leekstermeer. Het Leekster Hoofddiep was de eerste veenkoloniale vaart in de provincie Groningen. Vanwege de hoogteverschillen waren schutsluizen in het kanaal noodzakelijk. Bij de één van de sluizen ontstond de woonplaats Leek. Het dorp werd een nederzetting van neringdoenden en schippers. Tot in de 19e eeuw behoorden alle huizen toe aan de heren van Nienoord.

In 1567 werd vanuit het Leekster Hoofddiep een begin gemaakt met de systematische verveningFiguur 6. De vervening van het ZWK. De veenkoloniale vervening is met lichtpaars weergegeven; de 'natte” vervening (de gebaggerde petgaten) met donkerpaars van Vredewold. De turfwinning ging gelijk op met het graven van nieuwe kanalen.  Haaks op het Leekster Hoofddiep werden aan weerszijden zijkanalen (de wijken) en greppels gegraven. Zo ontstond de typische, blokvormige verkaveling van een veenkolonie. De Oostindische Wijk en de Kokswijk dateren uit deze periode. Met behulp van greppels werd het veen ontwaterd. Na drie tot tien jaar wachten was de grond droog en begaanbaar en kon de bovenlaag van het hoogveen worden afgegraven. De afgestoken turven werden wekenlang op het veld gedroogd en daarna per turfschip afgevoerd naar Leek.

Zoon Wigbold kwam echter al spoedig in financiële problemen. Zelfs de aanleg van een zoutziederij nabij Zoutkamp gaf geen verbetering van het rendement van zijn ondernemingen. Tijdens de Tachtigjarige oorlog, tot de Reductie van 1594, kwam het werk in de venen volledig stil te liggen. Caspar de zoon van Wigbold zette het werk van zijn vader voort. Pas in de 17e eeuw beleefde de vervening weer een bloeiperiode.

In de 18e eeuw ging het weer bergafwaarts met de vervening. Omstreeks 1730 had de turfproductie een vrijwel verwaarloosbaar niveau bereikt. Op Nienoord had zich inmiddels een Oostfries adellijk geslacht gevestigd. Pas in 1780 lukte het Ferdinant van In- en Kniphuisen de vervening weer nieuw leven in te blazen. Samen met zijn vrouw Anna Maria van Graafland (waarnaar de Graaflandswijk is genoemd) liet hij de Jonkersvaart aanleggen. Er ontstonden langgerekte veenkoloniën met namen als Jonkersvaart en Zevenhuizen. De veenkolonie Jonkersvaart werd ontgonnen vanuit Zevenhuizen. Figuur 6 geeft een overzicht van de vervening van het ZWK.


Figuur 6. De vervening van het ZWK. De veenkoloniale vervening is met lichtpaars weergegeven; de 'natte” vervening (de gebaggerde petgaten) met donkerpaars.

Moderne tijd (1800-1950)

De afzonderlijke kerspelen in het ZWK werden in het begin van de 19e eeuw tot vier gemeenten samengevoegd. De meest westelijke woonkernen, te weten De Wilp, Trimunt, Noordwijk, Lukaswolde, Nuis, Niebert  en Marum werden tot de gemeente Marum gerekend. Tolbert, Midwolde, Zevenhuizen, Lettelbert en Oostwold werden tot de gemeente Leek samengevoegd. In Langewold ontstonden de gemeenten Grootegast en Oldekerk.

De laatste verveningen

Binnen de gemeente Marum bevond zich tot ver in de 19e eeuw nog een groot areaal woeste grond. De ontginning van dit gebied vorderde slechts langzaam. Het veen werd vanuit Friesland afgegraven waarbij de Wilpster Hoofdvaart een hoofdrol speelde. Langs deze vaart ontstond in de 19e eeuw het dorp De Wilp. Het dorp werd voornamelijk bewoond door Friese veenarbeiders. In 1860 raakten de verveningen in het ZWK en Friesland elkaar. In 1871 werd de omgeving van De Wilp  en daarmee de Friese kanalen en wijken met de Jonkersvaart doorverbonden door middel van een schutsluis. Door deze bedrijvigheid groeide Zevenhuizen uit tot de grootste veenkolonie van het ZWK.

De turf werd voortaan niet alleen gestoken maar ook gebaggerd. Deze vorm van turfproductie, ook wel natte vervening genoemd,  werd in Holland al vanaf de 16e eeuw toegepast. Bij het baggeren werd de veenmodder met de  baggerbeugel van onder de waterspiegel op het land geworpen. Daar werd het te drogen gelegd, aangetrapt en vervolgens in turven gesneden. Na het baggeren resteren plassen open water, die petgaten worden genoemd. 

Eén van de eerste gebieden waar op grote schaal werd gebaggerd lag ten zuiden van Grootegast. Vanaf 1750 werd hier uitgestrekt moerassig veengebied systematisch afgegraven. Op de topografische kaart van Huquenin is de systematiek van deze natte vervening goed zichtbaar. In 1881 werd een begin gemaakt met de herinrichting van het uitgeveende gebied.

Omstreek 1890 was het met de turfwinning in het ZWK vrijwel gedaan. Het resterende veengronden van Vredewold werden in de eerste helft van de 20ste eeuw ontgonnen als landbouwgrond. In de laagst gelegen venen is in de Tweede Wereldoorlog nog turf gestoken. De Doezemermieden, Lettelberter en Tolberter Petten zijn petgaten die uit deze periode dateren.

Grote delen van de verlandende petgaten werden omgevormd tot landbouwgrond. Zo ontstond in het gebied ten zuiden van Doezum de Zuidpolder. De Tolberter Petten, die bijna 2 m beneden NAP liggen, werden eveneens ten behoeve van de landbouw ingericht.

Een ander deel van de verlandende petgaten kreeg de bestemming natuurgebied. De Lettelberter petten worden beheerd door de stichting het Groninger Landschap. Een groot deel van de polder De Dijken werd heringericht als natuurgebied in combinatie met waterberging. Dit voormalige petgatengebied heeft evenals de Toberter Petten een hoge kweldruk. Veel van het kwalitatief goede water dat vroeger werd afgemalen wordt nu in het gebied vastgehouden. Dit gebiedseigen water biedt goede kansen op de ontwikkeling van kwelafhankelijke vegetaties. In dit kader van de ruilverkaveling Lutjegast-Doezum werd Grootegastermolenpolder – gelegen tussen Lutjegast en Grootegast - ingericht voor de natuur. In de Polder de Kaleweg worden mogelijkheden benut voor ontwikkeling van kwelafhankelijke natte schraallandvegetaties en voor versterking van weidevogelpopulaties.

Een deel van het ZWK maakt thans deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het is een brede strook die loopt van Opende naar het Leekstermeer. Een belangrijk element in de EHS vormt het Dwarsdiep en de Matsloot. Hier komen orchideeënrijke dotterbloemhooilanden met kleine zeggenvegetaties voor. Het grootste deel van de EHS is echter in gebruik als landbouwgrond.

De agrarische natuurvereniging Boer & Natuur Zuidelijk Westerkwartier zet zich in om het karakter van het ZWK  te behouden door naast boerenactiviteiten ruimte te laten bestaan voor natuur- en natuurontwikkeling. In Grootegast en Zuidhorn is de agrarische vereniging de Eendracht met een vergelijkbare doelstelling actief.

Actuele vraagstukken

De landbouw in het ZWK

Anders dan in de Drents-Groninger Veenkoloniën was de ontginning in het ZWK slechts op de productie van turf gericht. Het uitgeveende gebied bleef als een hobbelig en drassig terrein achter dat voor landbouw weinig aantrekkelijk was. De petgaten verlandden op den duur tot een moerassig elzenbos.

De eerste ontginningen van het uitgeveende gebied vonden plaats vanaf het midden van de zeventiende eeuw. Het initiatief ging nu uit van de veenmeiers zelf, die zich rond 1650 permanent in dit gebied gingen vestigen. De achtergebleven veenarbeiders ontgonnen het verveende gronden en probeerden er een bestaan op te bouwen als keuterboer. De schrale landbouwgrond bracht echter bitter weinig op. Zelfs het gebruik van kunstmest verbeterde daar weinig aan. De boerenbedrijven waren zeer klein. Veel boeren verhuurden zich als seizoensarbeider op het Hoogeland of de Drentse of Duitse venen. Vrouwen en kinderen hielden dan het boerenbedrijf draaiende. Pas na de Tweede Wereldoorlog verdween de seizoensarbeid en nam de welvaart toe. De gemiddelde bedrijfsgrootte was toen circa 4 hectare. Omstreeks 1960 werkten in het zuidelijke Westerkwartier nog zo'n 1300 boeren met minder dan tien hectare land.
Vanaf 1950 vonden in het oude cultuurlandschap op diverse plaatsen forse ingrepen plaats. Vanwege mechanisatie en schaalvergroting in de landbouw werden sloten gedempt, hoogtes geëgaliseerd en houtwallen geslecht. De ruilverkavelingscommissie Lutjegast-Doezum heeft recent (1990-2010) veel werk verricht ter verbetering van de van landbouw, natuur en recreatie.


Thema's

De houtsingelhoofdstructuur

Op de hogere, zandige delen van het ZWK worden de landbouwpercelen traditioneel van elkaar gescheiden door houtsingels of houtwallen. Deze singels werden aangelegd om te voorkomen dat het vee naar naastgelegen percelen liep. Ze bestonden doorgaans uit een greppel met aan beide zijden een bomenrij, meestal elzen. Ook doornige 
struiken zoals meidoorn en sleedoorn waren geschikt als veekering. De houtsingels fungeerden tevens als bron van geriefhout voor het maken van meubels, huizen en gereedschappen. Tijdens de ontginning van de venen ontstond in hert ZWK een opstrekkende verkaveling. In de houtsingelstructuur vinden we deze verkaveling terug.
Vooral tussen Nuis en Tolbert zijn veel houtsingels bewaard gebleven. Minder singels zijn aanwezig in het gebied Zevenhuizen – Jonkersvaart – De Wilp tot aan de Drentse grens. Dit gebied behoort tot de veenkoloniën en werd veel later in cultuur gebracht dan de gronden langs de zandruggen. Het veenkoloniale landschap bleef vrij open; wijken en vaarten bepalen hier nog altijd de structuur van het landschap. Hier en daar werden bossen voor houtproductie aangelegd.

De houtsingels vormen een uniek cultuurlandschap en dat karakteristiek is voor het ZWK. De singels hebben echter hun oorspronelijke functies verloren. De landbouw streeft tegenwoordig naar grotere percelen en is de houtsingels liever kwijt dan rijk. De gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn, de Waterschappen Noorderzijlvest en Fryslân en de provincie Groningen werken sinds 2001 samen aan de ontwikkeling van landschap, landbouw, wonen en natuur. Eén van de projecten is het behoud van de houtsingelstructuur in het gebied. Er is een visie ontwikkeld op hoe men zowel de houtsingels kan beschermen, terwijl men tegelijkertijd de landbouw mogelijkheden kan geven tot schaalvergroting. In dat kader is er een houtsingelhoofdstructuur vastgesteld. Dit voornemen is weergegeven op een kaart en uitgewerkt in praktische spelregels. Om de houtsingels voor het landschap te behouden is echter wel onderhoud nodig. De Stichting Landschapsonderhoud Groningen is bij dit onderhoud betrokken.


Literatuur

W. Roeleveld, The Groningen Coastal Area: A study in Holocene geology and low-land physical geography. Berichten van de ROB, 1971-1974, Supplement.

Fys Geogr kaart van de provincie Groningen
, Provinciale Planologische Dienst Groningen, 1983.

M. Schroor, De landelijke lijn. Kavelpatronen en lineaire elementen in het Groninger landschap, cultuurhistorisch bekeken (met kaartenbijlage). Milieu- en landschapsonderzoek Provinciale Planologisceh Dienst Groningen, 1987.

M.A.W. Gerding, Vier eeuwen turfwinning. H&S Uitgevers, 1995.

De atlas van Huguenin, bewerkt door H.J. Versfelt en M. Schroor,.Heveskes Uitgevers, 2005.

De Grote Historische Atlas van Groningen, 1900-1930, Schaal 1:25.000. Uitgeverij Nieuwland 2006.

M. Schroor, J. Meijering, Golden Raand. Landschappen van Groningen. Meester en de Jonge, Lochem, 2007.

O. Brinkkemper e.a., De Mieden. Een landschap van de Noordelijke Friese Wouden. Matrijs, Utrecht, 2009.

H.A. Groenendijk, P. Vos, Stroobos en Gaarkeuken: sleutelsites middeleeuwse veenontginning in het Westerkwartier (Gr). Paleoactueel 21, 85-93, 2010.

D.A. Gerrets, Op de grens van land en water, Barkhuis. Groningen University Library, 2010.
 
J.A.W. Nicolay (red.), Terpbewoning in oostelijk Friesland. Barkhuis, Groningen University Library, 2010.

P. Boiten (red.), Lauwersland. Noordbroek, Leeuwarden, 2011.

B. Westerink, Het landschap rondom de Lauwers herzien. Noorderbreedte, 35, 26-29, 2011

J. Bazelmans (red.), Atlas van Nederland in het Holoceen. Bert Bakker, Amsterdam, 2011.

T. Veldhuis, Nederzettings- en ontginningsgeschiedenis van Vredewold in het Westerkwartier van de provincie groningen (ca 700- ca 1500 ad). Masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen, 2011