Notice: Trying to get property of non-object in /home/landschap/domains/landschapsgeschiedenis.nl/public_html/deelgebieden.php on line 38
Landschaps Geschiedenis

Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
Gezicht op Ulrum vanuit het Asingapark
Weegbrughuisje Amsterdamse School
Singel 1925
Paardentram 1905
Villa Loots
Elensterweg
Zeemijn Buitenlust
Kerkstraat 1950
Café Buitenlust
Kerkstraat 1920
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

Auteur: Otto S. Knottnerus 

De Marne is een oud zeekleigebied in Noordwest-Groningen, dat zich kenmerkt door statige akkerbouwbedrijven op vruchtbare zavelgrond, weidse uitzichten en slingerende waterlopen (maren). De kern van het gebied wordt gevormd door een voormalig schiereiland met wierden en boerderijenreeksen, omzoomd door recenter polderland.

De Marne grenst aan de Waddenzee en het Lauwersmeergebied. Aan de zuidkant vormt het Reitdiep de scheiding met Humsterland, terwijl de oostgrens met het Hogeland wordt gevormd door de voormalige monding van de Hunze, die omstreeks de elfde of twaalfde eeuw is dichtgeslibd. Hiervan resteren de waterlopen Broekstermaar, Pieterburenstermaar, Hoornse Vaart en Kromme Raken.

Kenmerken en Bijzonderheden

  • Grootschalig open wierdenlandschap met markante kwelderwallen en geulen, omzoomd door een dijkenlandschap met weinig reliëf
  • Wierdedorpen in het kerngebied, met verspreide boerderijen buiten de dorpen (deels op huiswierden)
  • Weg- en dijkdorpen met boerderijenreeksen op kwelderwallen, samenvallend met oude kustlijnen
  • Zijlhavennederzettingen (Houwerzijl en Schouwerzijl)
  • Vestingdorp annex vissershaven met dichte bebouwing (Zoutkamp)
  • Grote boerderijen van het kop-hals-romp-, villaboerderij- of Oldambtster type, vaak met slingertuin, dubbele schuur, grachten en erfbeplanting
  • Bochtige natuurlijke waterlopen (maren) en inbraakgeulen
  • Rechthoekig patroon van wegen, dorpsgrenzen, tochtsloten en trekvaarten, georiënteerd op de kwelderwallen
  • Dijken en dijkrestanten, doorbraakkolken, kleiwinningsputten, coupures en sluizencomplexen
  • Kruinige percelen (bolvormig akkers) op de hogere kwelderwallen en -vlakten
  • Verlaten dorps- en huiswierden of  ‘groene wierden’, deels afgegraven
  • Eendenkooien (Westpolder), verspreide zoetwaterdobben
  • Zoutwater-getijdenlandschap met kwelders, voormalige landaanwinningswerken en slikken langs de Waddenkust (beschermd natuurmonument)
  • Borgen en borgterreinen: Leens (Verhildersum), Ulrum (Asinga), Vierhuizen (Beusum), Wehe-Den Hoorn (Borgweer of Starkenborgh)
  • Kloosterterreinen: Kloosterburen, Nijenklooster (bij Kloosterburen)
  • Voormalige kerkterreinen: Vliedorp (1695), Wierhuizen (1719)

Landschapsopbouw

Het kerngebied van de Marne wordt gevormd door een wierdenlandschap, dat bestaat uit opeenvolgende kwelderwallen, van elkaar gescheiden door getij-afzettingsvlakten en kweldervlakten.

Het zuidelijke deel vertoont nog enkele kenmerken van het oorspronkelijke getijdenlandschap. Het was tot ver in de negentiende eeuw een kleinschalig gebied met vochtige graslanden, rietvelden, oude geulen, kromme sloten en een onregelmatige blokverkaveling. Dit gebied wordt doorsneden door een dertiende-eeuwse zeedijk (met het dorp Zuurdijk), opgeworpen om het opdringende water uit de Lauwerszee te keren. De dorpswierden met hun opgaande beplanting liggen in lange rijen op de kwelderwallen, te midden van het oudste akkerland. De meeste boerderijen staan verspreid in het veld, soms op markante huiswierden of verlaten dorpswierden. Door ontwatering en ruilverkavelingen heeft het landschap een uniform karakter gekregen, veel meer dan bijvoorbeeld in Middag-Humsterland.

Naar het noorden toe wordt de inrichting van het land regelmatiger. De bebouwing bestaat uit boerderijenreeksen langs dijken en op kwelderwallen die samenvallend met oude kustlijnen. De nederzettingen hebben de vorm van een weg- of dijkdorp. Daartussen ligt een egale kweldervlakte met een regelmatige blokverkaveling. De zeeboezemvlakte van de Hunzemonding, dichtgeslibd in de elfde of twaalfde eeuw, vormt de afgrenzing met de rest van het Hogeland.

Rondom het oude land ligt een dijkenlandschap, opgebouwd uit aanwas- en zeeboezemvlakten die grotendeels in de negentiende eeuw werden ingepolderd. De afzonderlijke kustpolders sluiten schilvorming bij elkaar aan. De landerijen kenmerken zich door een opstrekkende verkaveling en worden bewerkt door boerenbedrijven uit de aangrenzende dorpen. Een uitzondering vormt de Westpolder uit 1875, waar zeven grote modelbedrijven werden gesticht.

De onbedijkte kwelders en slikken maken deel uit van het zoutwater-getijdenlandschap van de Waddenzee. Ze vormen een beschermd natuurgebied en zijn onderdeel van het Unesco Werelderfgoedgebied Waddenzee. Verschillende regelingen zoals Natura-2000 zijn hier van toepassing. De kwelders hebben hun huidige vorm gekregen door systematische landaanwinningswerken; ze zijn nog altijd in gebruik als weidegebied. De kenmerkende vegetatie bestaat onder andere uit zeegras, dat elders in het Waddengebied weinig meer voorkomt.

Indeling

De Marne beslaat een groot deel van de gemeente De Marne, waarin in 1990 de gemeenten Eenrum, Kloosterburen, Leens en Ulrum zijn samengegaan. Voor Eenrum: zie Hogeland.

Het gebied maakt sinds 2000 deel uit van het waterschap Noorderzijlvest, waarin in 1995 onder andere de waterschappen Electra, Noorderzijlvest en Ommelanderzeedijk zijn opgegaan. In het dagelijks spraakgebruik wordt De Marne tot het Hogeland gerekend. Tot 1798 vormde De Marne een onderkwartier van het district Hunsingo.

Het Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013 van de provincie Groningen rekent De Marne tot de deelgebieden Hogeland-Lauwersland-Fivelboezem en Waddenkust.

Woonkernen

Broek (met Wierhuizen†), Hornhuizen, Houwerzijl (met Vliedorp†), Kleine Huisjes, Kruisweg, Kloosterburen, Leens, Molenrij, Niekerk, Schouwerzijl (grotendeels), Ulrum, Vierhuizen, Warfhuizen, Wehe-Den Hoorn, Zoutkamp, Zuurdijk.1


1 De cursief gedrukte dorpen betreft nederzettingen die vóór 1811 geen zelfstandig kerspel vormden.

Landschapsgeschiedenis

Geologie

De Marne is een tamelijk recent landschap, dat oorspronkelijk één geheel vormde met het Westerkwartier. De top van het pleistoceen ligt meer dan tien meter onder de zeespiegel en is afgedekt door dikke lagen klei en zeezand. De eerste bewoonbare kwelders ontstonden ruim 2500 jaar geleden aan de zuidrand van het gebied. Reitdiep en Lauwerszee bestonden toen nog niet. De kwelders maakten deel uit van een brede kustwal die zich – onderbroken door veenriviertjes uit het achterland – uitstrekte vanaf Zoutkamp tot aan de monding van de Hunze bij Garnwerd en Winsum. Ten noorden daarvan ontstonden nieuwe kwelderwallen, gevoed door sediment uit de Waddenzee.

Aan het begin van jaartelling had de Hunzemonding zich inmiddels een stuk naar het noorden verplaatst, ergens tussen Wehe en Eenrum. Aan beide zijden vormden zich nieuwe, vrijwel ononderbroken kwelderwallen, waarachter zich taaie knipklei afzette. Door erosie aan de zeezijde spoelden de grovere deeltjes over de rand van de kwelders, waardoor een vruchtbare zavelbodem ontstond; de fijnere deeltjes belandden in het achterland. De datering van de markante kwelderwal waarop de dorpen Ulrum, Leens en Wehe liggen, is onzeker. Geologische reconstructies veronderstellen dat hij al uit de Romeinse tijd dateert, de oudste bewoningssporen dateren echter uit de negende eeuw. Een volgende hoge kwelderwal vormde zich ter hoogte van Hornhuizen en Kloosterburen, in het tussenliggende gebied ontstonden lagere kwelderwallen bij Warfhuizen, De Hucht-De Klei en Grijssloot. 

 

De Marne werd van zijn achterland gescheiden door de inbraak van de Lauwerszee-systeem omstreeks 800 na Chr. De ontginning van het achterliggende veengebied leidde tot bodemdaling, waardoor de zee hier vrij spel kreeg. In de daaropvolgende eeuwen breidde de Lauwerszeeboezem zich geleidelijk verder uit. Het resterende kweldergebied veranderde in een stelsel van eilanden en schiereilanden, van elkaar gescheiden door kreken. Een van deze kreken maakte in de elfde of twaalfde eeuw verbinding met de Hunze, die een nieuw stroombed in westelijke richting zocht. De nieuwe riviermonding kreeg later de naam Reitdiep, vanwege de uitgestrekte rietvelden. De oude trechtermond van de Hunze slibde geleidelijk dicht; de kwelders rond Zoutkamp en Vierhuizen gingen daarentegen verloren.

 

Nieuwe kwelderwallen werden gevoed door sedimenten uit de Lauwerszee; ze vormden zuidwest-noordoost gerichte ruggen die het oude land afschermden en de oude monding van de Hunze verder afsloten. De kwelderwal van Midhuizen naar Hornhuizen, Kleine Huisjes en Broek dateert vermoedelijk al voor het jaar 1000, de volgende – waarop de dorpen Wierhuizen, Pieterburen en Westernieland liggen – is iets jonger.

 

Vroegste bewoning

Pas toen de kwelders vanaf de zesde eeuw voor Chr. hoger opgeslibd raakten, konden zich hier mensen vestigen. De eerste bewoning was vermoedelijk seizoensgebonden. Boeren uit de Drentse zandgebieden trokken ‘s zomers naar de kust om hun vee te laten grazen. Na enkele generaties vestigden men zich voorgoed op de hoogste kwelderwallen. De woonplaatsen werden geleidelijk opgehoogd met mest, graszoden en afval; de afzonderlijke huispodia groeiden op den duur aaneen. Zo ontstonden wierden of terpen. Bij Vierhuizen zijn delen van een vlaknederzetting uit de vijfde eeuw voor Chr. blootgelegd.  Op de eerstvolgende kwelderwal ligt de dorpswierde De Ewer, waar vondsten uit de eerste eeuw na Chr. zijn gedaan. Andere nederzettingen uit de vroegste periode zijn Vliedorp, Schouwen en een aantal kleinere wierden rond Zoutkamp. De beide dorpswierden van Warfhuizen zijn iets jonger; ze liggen langs de Hunze op het einde van een lage kwelderwal.

 

Wierdedorpen en kloosterland (500-1500)

De belangrijkste dorpen van de Marne bevinden zich naast elkaar op een markante kwelderwal die vanaf de vroege middeleeuwen bewoond werd. Elf dorpswierden liggen hier een rij (meest twee aan twee), waarvan de meeste al in de tiende eeuw worden genoemd. Slechts enkele daarvan groeiden uit tot een volwaardig kerkdorp; de overige werden na afloop van de middeleeuwen weer verlaten. Dat laatste geldt ook voor de beide Tuinsterwierden (bij Leens), die omstreeks de negende eeuw werden gesticht en al vrij snel een hoogte van vijf tot zes meter bereikten. In 1939 heeft de archeoloog A.E. van Giffen hier enkele plattegronden van boerderijen met wanden uit kleizoden blootgelegd. De dorpen werden omringd door akkercomplexen of valgen, terwijl de weiden en het hooiland gesitueerd waren in het laagland tussen de kwelderruggen. De rechthoekige opgebouwde dorpswierden, de regelmatige blokverkaveling en de belangrijkste tochtsloten stonden haaks op langgerekte structuur van de kwelderwal.

Met de komst van het christendom in de negende eeuw verrezen de eerste (houten) kerken. Eerst de Petruskerk te Leens (op een nieuwe wierde tussen de buurtschappen De Houw en Tuins), later die van Vierhuizen, Ulrum, Wehe en Warfhuizen. Leens was aanvankelijk de hoofdplaats van een veel grotere regio, waartoe ook het Humsterland behoorde. Het huidige kerkgebouw uit de dertiende eeuw bevat nog resten tufsteen van een eerder gebouw. De kerkelijke leiding kwam in handen van de proost van Leens, een deftige edelman die de belangen van de bisschopmoest verdedigen.

Vanaf de elfde eeuw werden er dijken aangelegd. Die waren aanvankelijk laag, zodat men nieuwe boerderijen op huiswierden bleef bouwen. Op den duur werd de Marne omsloten door een ringdijk, met kokersluizen of zijlen op de plek waar de kreken hun water op zee loosden. De monding van de Hunze slibde intussen langzaam dicht. De kwelderwal van Hornhuizen en Kloosterburen werd in de elfde of twaalfde eeuw in gebruik genomen. Scherven van kogelpotten en verlaten huiswierden of ‘groene wierden’ (waarvan er een dertigtal bekend is) getuigen daarvan. De dochternederzettingen werden genoemd naar het moederdorp: De Houw-Hornhuizen, Wehe-Wierhuizen, Ulrum-Niekerk (‘de nieuwe kerk’).

Het gebied rond Kloosterburen viel eerst onder Leens en is vermoedelijk afgesplitst van het dorp Tuins. Enkele invloedrijke families onder leiding van de monnik Tadeco hebben omstreeks het jaar 1175 een kloostergemeenschap achter de nieuwe zeedijk gesticht. Misschien gaven ze leiding aan het bouwen van de dijk. Deze kloostergemeenschap trad toe tot de orde van de premonstratenzers of norbertijnen. Het was het eerste klooster van de provincie; er woonden zowel monniken als nonnen. Het klooster lag direct aan de oude vaarweg via de Hunze naar de stad Groningen. Een dichtgeslibde vaargeul – Zwintocht of Uilenestermaar – diende misschien als haven. De kloosterkerk diende tevens als dorpskerk voor de omliggende boerderijen.

Terwijl er aan de noordkant land bijkwam, ging er aan de zuidkant land verloren. De Lauwerszee breidde zich verder uit en maakte via het Reitdiep verbinding met de Hunze. Een deel van het oude land verdronk en een nieuwe dijk (Suterdicke of Zuurdijk) moest het water keren. De afwatering vanuit het achterliggende laagland vond plaats via de Swalve, een slingerende waterloop waarvan de restanten nog als de Zwaluwertocht voorhanden zijn. Omstreeks 1300 slaagde men erin het grondgebied van de dorpen Vliedorp, Niekerk en De Ewer opnieuw te bedijken. Bij Houwerzijl (genoemd naar het buurtschap De Houw) werd een nieuwe kokersluis gebouwd, die in 1570 naar de plek van het huidige dorp verhuisde. Het kerkdorp Maddenze – ten westen van Vierhuizen – is omstreeks de vijftiende eeuw in zee verdronken. Ook Zuurdijk bestond aanvankelijk uit twee afzonderlijke kerkdorpen (Ooster- en Westerdijk); een van beide is verdwenen. Rond Zoutkamp (genoemd in 1418) zal men zout hebben gewonnen uit verzilte turf, die uit het verdronken kweldergebied werd opgedolven.

De monniken van Oldenklooster maakten gebruik van de nieuwe situatie door de Hunze af te dammen bij Schouwerzijl en de zeeboezemvlakte in te polderen. Op een buitendijkse wierde werd in 1204 het Nijenklooster gesticht. De monniken verhuisden vermoedelijk daarheen, terwijl de nonnen en een deel van de lekenbroeders (het werkvolk) in het Oldenklooster achterbleven. Tussen beide kloosters bouwde men rond 1500 een korenmolen. Hier ontstond het gehucht Molenrij oftewel Cloesterburen. Later gebruikte men deze naam voor het Oldenklooster zelf. De boerderijen van Kleine Huisjes en Broek lagen – net als de groene wierde van ‘Oud-Bocum’ – aanvankelijk buitendijks, maar werden in de loop van de dertiende eeuw alsnog voorzien van een zeedijk. De volgende zeedijk beschermde de kerkdorpen Wierhuizen, Pieterburen en Westernieland (‘het nieuwe land’), die rond 1370 voor het eerst worden genoemd.

Oldenklooster en Nijenklooster bezaten samen zo’n duizend hectare land, een derde deel van het eiland Rottumeroog en meerdere kloosterboerderijen of voorwerken. Een daarvan stond op de wierde van Schouwen bij Schouwerzijl, waar de belangrijkste afwateringssluis te vinden was. De abt was een toonaangevende persoon; hij was voorzitter van het waterschap Schouwerzijlvest en gaf leiding aan de rechtspraak in de Marne. Ook de toegangsweg via de Abelstokstertil – eigenlijk de brug van de Abt-stok  – viel onder zijn toezicht.

Net als elders in de Ommelanden speelden de hoofdelingen – de leden van de adel – een toonaangevende rol in het politieke leven. In ieder dorp verrezen vanaf de dertiende eeuw een of meer steenhuizen, waarvan de belangrijkste uitgroeiden tot borgen of kleine kasteeltjes. In de Marne waren er minstens veertien. De belangrijkste daarvan was de borg Verhildersum, die toebehoorde aan de familie Onsta. De ringwal van een twaalfde-eeuwse burcht bij de boerderij ‘Rondenburg’ te Zuurdijk is in de negentiende eeuw geëgaliseerd.

Boeren en adel (1500-1800)

De Marne werd al vroeg een toonaangevend landbouwgebied, dankzij de lichte zavelgronden die bijzonder geschikt zijn voor akkerbouw. De zandige kleigrond droogt echter snel uit en slaat bij regen snel dicht. Om het land beter te kunnen ontwateren, werd de grond van de rand van de akkers naar het midden gewerkt, zodat bolronde ‘kruinige percelen’ ontstonden. De lagere gronden werden in smalle ruggen geploegd. De langgerekte veeboerderijen maakten na 1650 plaats voor kop-hals-romp-boerderijen met hoge Friese schuren.

Een nieuw stelsel van trekvaarten zorgde ervoor dat de boeren hun producten via Reitdiep, Winsumerdiep en Boterdiep naar de stad Groningen konden vervoeren. De havenplaatsjes Schouwerzijl en Houwerzijl kwamen vanaf de zestiende eeuw tot bloei, waardoor de naburige kerkdorpen Groot Maarslag en Vliedorp zich niet verder ontwikkelden. Langs de Hoornse Vaart ontstond het kanaaldorp Den Hoorn, waar in 1740 een eerste schuilkerk voor de katholieke minderheid in de regio verrees. Zowel Houwerzijl als Den Hoorn hadden een doopsgezinde vermaning.

De kloosters werden in 1594 opgeheven; op het rechthoekige kloosterterrein van Kloosterburen vestigden zich middenstanders en landarbeiders. Na de bouw van een nieuwe katholieke kerk in 1842 ontwikkelde dit dorp zich tot het centrum voor de katholieke geloofsgemeenschap in de Marne. Het huidige kerkgebouw, ontworpen door de bekende architect Pierre Cuypers, dateert uit 1868.

De politieke macht lag in de zeventiende eeuw volledig bij de adel. De meeste grond kwam in handen van de hoofdelingen, later jonkers genoemd, die dit aan de boeren verpachtten. Daarnaast bezaten de jonkers heerlijke rechten op het gebied van rechtspraak, waterstaat en  kerkelijk bestuur. De borgen verloren hun militaire functie en werden omgebouwd tot deftige buitenverblijven. Na 1750 verloor de adel snel aan invloed ten gunste van de boerenstand; de resterende borgen werden na 1800 afgebroken. Alleen Verhildersum bleef bestaan.

De stormvloeden van 1686 en 1717 veroorzaakten veel schade in de Marne. In het laatste jaar werd een groot deel van de zeedijk weggespoeld en ontstond een serie metersdiepe doorbraakkolken. De nieuwe provinciale dijk werd noodgedwongen vijftig tot honderd meter zeewaarts verplaatst. De sluis van Houwerzijl werd afgedamd, zodat vrijwel al het overtollige binnenwater voortaan via Schouwerzijl moest worden afgevoerd. In 1729 werd een begin gemaakt met de inpoldering van de buitendijkse kwelders bij Zuurdijk.

Agrarische hoogconjunctuur (1800-1950)

De boeren van de Marne liepen - samen met hun collega’s uit het Oldambt – voorop met de invoering van moderne landbouwmethoden en de uitbreiding van het akkerbouwareaal. Met behulp van drainage werden de landerijen drooggelegd, terwijl ze werden bemest met slik dat vanaf de kwelders werd aangevoerd.

Door de aanleg van het Hunsingokanaal in de jaren 1858 tot 1860 en de bouw van een nieuwe sluis bij Zoutkamp kon de waterstand drastisch worden verlaagd tot 0.93 meter onder NAP. Dit boezempeil geldt nog steeds. Een groot deel van het Hogeland maakte voortaan gebruik van de nieuwe sluis. Een stelsel van kanalen voerde het water van alle kanten aan. De bestaande zijlvesten gingen samen in het nieuwe boezemwaterschap Hunsingo (1856). In 1877 werd tenslotte ook de monding van het Reitdiep met sluizen afgesloten, waardoor tevens een betere verbinding met Friesland ontstond.

 

De welvaart van de boerenstand uitte zich in de bouw van statige boerderijen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werden de traditionele kop-hals-rompboerderijen en rentenierswoningen vervangen door eigentijdse villa’s, voorzien van een siertuin in Engelse landschapsstijl. Het groeiende aantal landarbeiders vestigde zich in achterafstraatjes van de oude dorpen en in nieuwe nederzettingen als Kruisweg, Broek en Kleine Huisjes.


De meeste dorpen ademen de geest van de negentiende eeuw. De dorpskernen bestaan vooral uit voormalige winkels, herbergen en werkplaatsen uit de tijd rond 1900, met boerenrentenierswoningen langs doorgaande wegen. De nijverheid was nauw verbonden met de landbouw: melkfabriekjes, vlasverwerking, mechanisatiebedrijven en een enkele strokartonfabriek (Ulrum) die al snel zijn poorten weer moest sluiten.

Actuele vraagstukken

Na de Tweede Wereldoorlog hebben de mechanisatie en schaalvergroting in de landbouw zich versterkt doorgezet. Het werk van de landarbeiders werd overbodig; veel jongeren trokken weg; middenstandsbedrijven sloten hun deuren. De Marne heeft meer dan andere delen van de provincie te kampen met vergrijzing en krimp. Er zijn hier relatief weinig nieuwbouwwijken en bedrijventerreinen aangelegd. Karakteristieke dorpsgezichten zijn echter ook hier niet altijd veilig voor grootschalige bouwplannen.

Behalve tarwe en suikerbieten worden tegenwoordig vooral pootaardappelen geteeld. De zeewind zorgt voor een goed klimaat waarin plantenziekten minder gedijen dan elders. Rond Kloosterburen bevinden zich veel bollenvelden.

Net als elders staat het agrarische cultuurlandschap onder druk. Schaalvergroting is voor veel landbouwbedrijven onvermijdelijk. Ruilverkavelingen en landinrichtingsmaatregelen hebben oude verkavelingspatronen doorbroken en het aanwezige reliëf aangetast. Moderne damwandschuren bepalen in toenemende mate de horizon. Ook hebben zich enkele grootschalige varkens- en pluimveebedrijven zich hier gevestigd. Veel wierden hebben te kampen met erosie ten gevolge van intensieve grondbewerkingsmethoden.

Ook binnen de landbouw worden deze ontwikkelingen niet altijd positief beoordeeld. De Stichting Wierde en Dijk zet zich in voor het behoud van oude landschapselementen, toepassing van natuurvriendelijke landbouwmethoden en ontwikkeling van nieuwbouwplannen die beter bij het landschap passen.

Thema's

Zoutkamp

Zoutkamp, dat op een strategische plek aan het water lag, werd vanaf 1576 uitgebouwd tot vestingplaats, maar raakte al snel weer in verval. In de loop van de achttiende ontwikkelde het dorp zich tot een bloeiende havenplaatsje met dichtbebouwde steegjes. De bewoners legden zich toe op de kustvisserij voor de lokale markt en het afgraven van mosselbanken ten behoeve van de kalkbranderij. De vis werd vooral in de stad Groningen verkocht.
Het dorp kreeg in 1836 een eigen kerk. In 1825 werd de nieuwe vissershaven aangelegd, in 1858 de Hunsingosluis en rond 1880 de binnenhaven. De vissers verloren echter de concurrentieslag met grotere visserijhavens, die hun vangst via het spoorwegnet naar de steden brachten. Omstreeks 1920 kwam de garnalenvisserij met motorkotters op. In plaatselijke fabriekjes werd de vangst verwerkt.

Door de afsluiting van de Lauwerszee in 1969 verloor Zoutkamp zijn betekenis als vissershaven. De dicht opeengebouwde krotwoningen werden meest gesloopt. Dertien huisjes werden in 1973 overgebracht naar het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. De garnalenverwerkende industrie bleef desondanks de belangrijkste tak van bedrijvigheid; de firma Heiploeg verhuisde naar een nieuwe locatie aan de rand van het dorp. Daarnaast ging ook de recreatievaart een steeds grotere rol spelen. De haven werd een belangrijke ligplaats voor historische schepen (de ‘bruine vloot’). Het dorpscentrum onderging na 1990 een grondige opknapbeurt. Het dorp profiteert van de nabijheid van het vakantiepark Esonstad aan de oostzijde van het Lauwersmeer (voltooid in 2007).

Polders en landaanwinning

De kwelders langs de Waddenkust waren vanouds het eigendom van de aangrenzende landeigenaren. De bouw en het onderhoud van nieuwe dijken moesten ze grotendeels uit eigen zak betalen. Daar stond tegenover dat ze gebruik konden maken van het recht van aanwas, waardoor zij hun bezittingen steeds verder konden uitbreiden. Het Rijk probeerde tevergeefs hun dit recht afhandig te maken. De ‘kwelderkwestie’ hield de gemoederen rond 1850 flink bezig. Maar de rechters gaven de grondeigenaren telkens weer gelijk. Zodoende bleef de aanleg van nieuwe polders voor veel boeren een klein goudmijntje.

In deze periode begonnen de boeren met het aanleggen van strekdammen, opstrekkende sloten en dwarsgreppels om de landaanwinning te bevorderen. Dankzij deze strekdammen werd de golfslag gebroken en spoelde het slib minder snel terug naar zee, waardoor de kwelders sneller het peil bereikten waarop ze konden worden inpolderen. Bij hoogwater vond het vee hier toevlucht.

Vanaf 1935 nam de staat de verantwoordelijkheid voor de landaanwinning over. Met de boeren werd overeengekomen dat de eerste driehonderd meter hun eigendom bleef, terwijl zij als eersten in aanmerking kwamen voor aankoop van de rest. De werkzaamheden werden groots opgezet. Het voorbeeld haalde men uit Sleeswijk-Holstein. De slikken werden verdeeld in reusachtige bezinkvelden van vierhonderd bij vierhonderd meter, omzoomd met dammen uit palen en rijshout. Vervolgens werd iedere vijf meter een greppel gegraven, die tweemaal per jaar werd uitgebaggerd. Het slib verspreidde men over de toekomstige akkers. Honderden werkloze arbeiders werden voor deze werkzaamheden ingeschakeld.

Het onderhoud van de zeedijk bleef een zaak van de afzonderlijke polders. Pas in 1968 nam het waterschap Ommelanderzeedijk dit over. De landaanwinningswerken werden stilgelegd; de kwelders kregen een bestemming als natuurgebied. Een voorbeeld van de kleiwinningsputten waaruit vroeger het materiaal voor de dijkbouw werd gewonnen, is Feddema’s Plas in de Julianapolder – een met riet omzoomde brakke plas met moerasstruweel.

Lijst van polders:
Zuurdijk: Hooge Slijck, 1766 Hoogsterpolder, 1805 Nieuwe Zuurdijksterpolder.
Negenboerenpolder, de Julianapolder, de Bokumer Ikemapolder, de Zevenboerenpolder, de Vierhuisterpolder en de Westpolder (1875).

Literatuur

Banga, F.E. (red.), Over wegen in De Marne: Straatnamenboek van de gemeente De Marne. Groningen, 2005

Beukema, G.F., et al. (red.), Gedenkboek Nijverheid 1991, deel 1: Historie van De Marne. Leens, 1991

Bielevelt, I. et al.,  Verborgen terreinen: inventarisatie voormalige borgterreinen in de gemeenten: Bedum, Ten Boer, Loppersum, Appingedam, Delfzijl, Eemsmond, Winsum, De Marne, Zuidhorn, Groningen 2003

Bosch & Slabbers, Landschapspontwikkelingsplan Noord-Groningen. Den Haag, 2005 http://www.provinciegroningen.nl/fileadmin/user_upload/Documenten/Downloads/brochurelopnoordgroningen.pdf

Bügel, M., et al., Maren in Noord-Groningen: Ideeën en voorbeelden. Groningen: Landschapsbeheer Groningen, 2005 http://www.landschapeemsmond.nl/documents/Maren_in_Noord_Groningen.pdf 

Gebiedsvisie Groninger Noordkust: Natuur en historie aan weerskanten van de waddendijk. Midwolda: Stichting Groninger Landschap, 2007 http://www.groningerlandschap.nl/files/pdfs/80174_Gebiedsvisie_Noordkust.pdf

Groenendijk, H.A., en P. Vos, ‘Vroege ijzertijdbewoning langs de Hunze bij Vierhuizen, gem. De Marne (Gr.)’, in: Paleo-Aktueel 13 (2002), pp. 70-73

Haartsen, A., en N. Brand, Ontgonnen verleden: Regiobeschrijvingen provincie Groningen, Ede: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Directie Kennis, 2009, pp. 61-74 http://nhc.mixxt.com/networks/files/download.54448

Kloosterman, J.O.D., L. Prins, Cultuurhistorische verkenningen Leens, gemeente De Marne. Zeist: Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 2005 http://www.demarne.nl/bestand/cultuurhistorische_verkenning_leens_-_maart_2005.pdf_236570

Schroor, M., en J. Meijering, Golden Raand: Landschappen van Groningen. Assen, 2007, pp. 170-185

Velde, I.L.C.C. van der, Archeologie in De Marne: Omgang met ons erfgoed. Groningen: Rijksuniversiteit, Master thesis archeologie, 2011 http://scripties.let.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Master/DoorstroomMasters/Archeologie/2011/I.L.C.C.vanderVelde/MA-1706691-I.L.C.C._van_der_Velde.pdf

Weerden, J.S. van, Marne memories 1 en 2. Leens, 2000

Zijlma, J., De Marne: Een geschiedkundige beschrijving. Groningen, 1884 (repr. De Marne als een eenheid. Leens, 1971)