Notice: Trying to get property of non-object in /home/landschap/domains/landschapsgeschiedenis.nl/public_html/deelgebieden.php on line 38
Landschaps Geschiedenis

Foto's

 (Klik op een foto om te vergroten)
De Bijlvennen
De Witten, bij boerderij Welgelegen
Kerk Ezinge
Rolpaal
Reitdiep
uitzicht op Saaksum
Poldervaart
Herberg Rust een weinig
Schaapweg, ca. 1928
wierde Ezinge met fluitekruid
Photos provided by Panoramio. Photos are under the copyright of their owners.

Introductie

Auteur: Otto S. Knottnerus

Het Hogeland is een oud zeekleigebied in Noord-Groningen, dat zich kenmerkt door karakteristieke wierdedorpen, statige akkerbouwbedrijven en weidse uitzichten. De naam geeft aan dat het gebied ruim boven de zeespiegel ligt, in tegenstelling tot de lager gelegen streken in het midden van de provincie.

De kern van het gebied wordt gevormd door een voormalig schiereiland, geflankeerd door recentere kwelderruggen en -vlakten die zijn ontstaan door het dichtslibben van de Hunzemonding en de Fivelboezem. Langs de kust vinden we grootschalige zeepolders. Het is overwegend een akkerbouwgebied met vruchtbare zavelgronden, bochtige wegen en slingerende waterlopen (maren). In het midden bevindt zich een laaggelegen en open weidegebied met zware kleigronden en verspreide bebouwing, dat tevens de overgang naar de Centrale Woldstreek vormt.

 

Het Hogeland grenst aan de Waddenzee. Aan de zuidkant vormen Winsumerdiep, Boterdiep en Kardingermaar de scheiding met de Centrale Woldstreek. De westgrens met de Marne wordt gevormd door de voormalige monding van de Hunze, die omstreeks de elfde of twaalfde eeuw is dichtgeslibt. Hiervan resteren de waterlopen Broekstermaar, Pieterburenstermaar, Hoornse Vaart en Kromme Raken. De Eemshavenweg vormt de grens met het oude wierdengebied van Fivelingo. Deze autoweg loopt parallel aan het Maarvliet – ooit de grenswatering tussen de middeleeuwse districten Hunsingo en Fivelgo.

Kenmerken en Bijzonderheden

 

  • Open wierdenlandschap met markante kwelderwallen, omzoomd door een grootschalig dijkenlandschap met weinig reliëf
  • Streekdorpenlandschap met restanten van opstrekkende verkaveling bij Roodeschool
  • Wierdedorpen, weg- en dijkdorpen met boerderijenreeksen op kwelderwallen, samenvallend met oude kustlijnen
  • Kanaaldorpen (Mensingeweer en Westerwijtwerd)
  • Grote boerderijen van het kop-hals-romp-, villaboerderij- of Oldambtster type, vaak met slingertuin, dubbele schuur, grachten en erfbeplanting
  • Bochtige natuurlijke waterlopen (maren) en restanten van onregelmatige blokverkaveling, vooral in het lager gelegen kerngebied
  • Rondom het kerngebied een regelmatig patroon van wegen, dorpsgrenzen, tochtsloten en trekvaarten, georiënteerd op de kwelderwallen
  • Dijken en dijkrestanten, doorbraakkolken, zoetwaterdobben, kleiwinningsputten, coupures en sluizencomplexen
  • Kruinige percelen (bolvormig akkers) op de hogere kwelderwallen en –vlakten
  • Zoutwater-getijdenlandschap met kwelders, voormalige landaanwinningswerken en slikken langs de Waddenkust (beschermd natuurmonument)
  • Fysisch-geografisch belangwekkend: Helwerdermaar-Oude Maar, Meedstermaar, Groote Tjariet, Startenhuistermaar, kwelderwal bij Uithuizen
  • Beschermde dorpsgezichten: Eenrum, Huizinge, Lellens, Middelstum, Onderdendam, Usquert-Wadwerderweg, Warffum
  • Beschermde dorpswierden: Huizinge, Menkeweer, Middelstum-Toornwerd, Rottum, Tinallinge, Uithuizen-Oldorp, Warffum.
  • Borgen en borgterreinen: Huizinge (Melkema), Middelstum (Asinga, Ewsum, Nije Fraam), Pieterburen (Dijksterhuis), Uithuizen (Menkemaborg), Uithuizermeeden (Rensumaborg), Warffum (Breedenborg)
  • Kloosterterreinen: Rottum, Usquert-Kloosterwijtwerd, Warffumer Klooster.
  • Voormalige kerkterreinen: Klein-Maarslag (1811), Menkeweer (1843), Toornwerd (1818)

 

Landschapsopbouw

Het kerngebied van het Hogeland wordt gevormd door een wierdenlandschap, bestaande uit een schiereiland, omzoomd door oude kwelderruggen met vruchtbare zavelgrond, die een dieper gelegen getij-afzettingsvlakte met taaie kleigronden omringen (Delthelaagte). Voormalige kreken en erosiegeulen verbinden het binnengebied met de kust. Op deze kwelderwallen liggen de oudste en grootste wierden met markante silhouetten en zware beplanting. De meeste boerderijen liggen verspreid als groene eilanden in het open landschap, soms op markante huiswierden of verlaten dorpswierden. De omgeving van de dorpen kenmerkt zich door een onregelmatige blokverkaveling. In het binnengebied zijn meer regelmatige perceelsvormen te vinden; het landschap is weidser, de boerderijen zijn soberder van karakter en de erven minder zwaar beplant. Door ontwatering en ruilverkavelingen zijn veel kleinschalige landschapselementen verdwenen.

Dichter bij de Waddenkust wordt de inrichting van het land regelmatiger. De bebouwing bestaat uit boerderijenreeksen langs dijken en op kwelderruggen en strandwallen die samenvallend met oude kustlijnen. Achter deze strandwallen, die grotendeels parallel met de kust lopen, konden de getijdenbekkens van de Hunze en de Fivel geleidelijk verzanden. De nederzettingen hebben hier de vorm van weg- of dijkdorpen. Tussen de kwelderruggen liggen egale kweldervlakten met een regelmatige blokverkaveling. De zeeboezemvlakte van de Hunzemonding, dichtgeslibd in de elfde of twaalfde eeuw, vormt de afgrenzing met de Marne. De Fivelboezem vertoont een gevarieerder beeld met reeksen verspreide boerderijen langs slingerende wegen en waterlopen en een onregelmatige blokverkaveling (Marenland).

Rond de jonge kwelder- of strandwallen van Uithuizermeeden, Roodeschool en Oosteinde ontstond vanaf de zestiende eeuw een streekdorpenlandschap op de klei, met boerderijenreeksen op verhoogde erven en een opstrekkende verkaveling die zich ook in de nieuwere polders voortzette.

Ten noorden van het oude land ligt het dijkenlandschap van de nieuwe zee- of kustpolders, opgebouwd uit aanwas- en zeeboezemvlakten die grotendeels in de achttiende en negentiende eeuw werden bedijkt. De afzonderlijke zeepolders sluiten schilvorming bij elkaar aan. De landerijen kenmerken zich door een opstrekkende verkaveling. De oudste boerderijenreeks bevindt zich langs de zeedijk van 1721; de nieuwere boerderijen staan verspreid in het veld, soms op huiswierden, zoals Klein- en Groot-Zeewijk (Warffum).

De onbedijkte kwelders en slikken maken deel uit van het zoutwater-getijdenlandschapvan de Waddenzee. Ze vormen een beschermd natuurgebied en zijn onderdeel van het Unesco Werelderfgoedgebied Waddenzee. Verschillende regelingen zoals Natura-2000 zijn hier van toepassing. De kwelders hebben hun huidige vorm gekregen door systematische landaanwinningswerken; ze zijn nog altijd in gebruik als weidegebied. De kenmerkende vegetatie bestaat onder andere uit zeegras, dat elders in het Waddengebied weinig meer voorkomt.

Indeling

Het Hogeland beslaat het grondgebied van de gemeente Eemsmond en delen van de gemeente Bedum, De Marne, Loppersum en Winsum. Deze gemeenten zijn in 1990 ontstaan door herindeling (met uitzonding van Bedum). Daarbij zijn onder andere de historische gemeenten Baflo, Eenrum, Hefshuizen (tot 1979 Uithuizen en Uithuizermeeden), Kantens, Leens, Middelstum, Usquert, Warffum en kleine delen van de gemeenten Bierum en ’t Zandt samengevoegd.

Het gebied maakt sinds 2000 deel uit van het waterschap Noorderzijlvest, waarin onder andere de waterschappen Noorderzijlvest en Ommelanderzeedijk in 1995 zijn opgegaan. Tot 1798 vormde het gebied twee onderkwartieren van het district Hunsingo (namelijk Halfambt en Oosterambt). In het dagelijks spraakgebruik wordt het hele gebied ten noorden het Winsumer- en Damsterdiep tot het Hogeland gerekend.

Het Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013 van de provincie Groningen rekent het Hogeland tot de deelgebieden Hogeland-Lauwersland-Fivelboezem en Waddenkust.

Woonkernen

Baflo, Breede, Den Andel, Doodstil, Eenrum, Eppenhuizen (met een deel van Startenhuizen), Huizinge, Kantens, Mensingeweer, Middelstum, Oldenzijl, Onderdendam(met Menkeweer†), Oosteinde, Oosternieland,Oudeschip, Pieterburen, Rasquert, Roodeschool, Rottum, Saaxumhuizen, Schouwerzijl (gedeeltelijk, met Groot en Klein Maarslag†), Stitswerd, Tinallinge, Toornwerd†, Uithuizen, Uithuizermeeden, Westernieland, Westerwijtwerd, Zandeweer.1

Verdwenen: Eelswerd, Menkeweer (1828), Startenhuizen (eind 16e eeuw), Toornwerd (1818), Lutke Saaxum (1486), Klein Maarslag (1811).

 
 

1 De cursief gedrukte dorpen betreft nederzettingen die vóór 1811 geen zelfstandig kerspel vormden.

Landschapsgeschiedenis

Geologie

De diepere ondergrond van het Hogeland is gevormd in het Pleistoceen. Tussen Sauwerd en Den Andel bevindt zich een langgerekt keileemplateau, dat plaatselijk tot minder dan twee meter onder het maaiveld omhoog komt. Dit zogenoemde ‘hoog’ van Winsum is een voortzetting van de Hondsrug, die ten noordwesten van Groningen onder recentere kleiafzettingen wegduikt. Het verbindende stuk ter hoogte van de Koningslaagte is tijdens de voorlaatste IJstijd (het Saalien, 300.000-130.000 jaar geleden) door smeltwater weggespoeld.

Tijdens het Saalien was Noord-Nederland bedekt met een dik pakket landijs dat vanuit Scandinavië aangroeide. Met het ijs werden keileem en stenen aangevoerd, die zich onder het ijs ophoopten. Hierdoor ontstonden de Hondsrug en zijn uitlopers. Toen het ijs zich terugtrok, verzamelde het smeltwater zich in het oerstroomdal van de Hunze aan de voet van de Hondsrug. Vanwege een gletscherblokkade bij Baflo kon het water niet direct wegstromen en baande het zich via de Koningslaagte bij Adorp een weg naar het westen.

Het Hogeland kwam vanaf 6000 tot 4000 vóór Chr. onder invloed van de zee te staan, waardoor de diepste geulen en slenken werden gevuld met metersdikke pakketten zeezand, klei en veen. Het keileemplateau van Winsum stak als een bosrijk eiland boven de rietmoerasssen en kwelders uit. De vondst van stenen bijlen en aardewerk (onder andere bij Wetsinge en Lutke Saaksum) geven aan dat dit gebied omstreeks 3400 vóór Chr. door mensen werd bewoond. De eerste bewoners hadden zich aan het maritieme milieu aangepast. Ze maakten aardewerk van zeeklei, jaagden op de dieren en vogels die hier voorkwamen en verzamelden vuursteenknollen om die te bewerken. De keileemrug verdronk omstreeks 2200 vóór Chr. in de veenmoerassen en werd vervolgens overdekt met klei. Later kwam de veengroei opnieuw op gang, waarna het gebied tussen 1000 en 700 vóór Chr. definitief onder kleiafzettingen verdween.

Langs de randen van het verdronken keileemplateau en de oevers van de Hunzeboezem vormde zich een hogere kwelderrug, die afboog in de richting van Baflo, Warffum en Usquert. Deze verhoging was het gevolg van periodieke stormen, waarbij zandig sediment vanuit het wad op de kwelderrand werd afgezet. Achter deze kwelderrug ontstond een getij-afzettingsvlakte, waar fijnere deeltjes in de vorm van een dunne laag knipklei terecht kwamen. Aan de achterzijde van dit schiereiland vormde zich een tweede kwelderrug rond het getijdenbekken van de Fivel. Deze kwelderrug reikte van Usquert via Middelstum, Westerwijtwerd en Lellens tot Wittewierum. De eerste bewoning concentreerde zich op deze beide kwelderruggen. Hier vinden we dan ook de oudste wierdedorpen.

Aan het begin van jaartelling had de Hunzemonding zich inmiddels een stuk naar het noorden verplaatst, ergens tussen Wehe en Eenrum. Parallel aan de Waddenkust ontstonden haakvormige strandwallen, waarachter de getijdenbekkens langzaam dichtslibden. Nieuw gevormde kwelderruggen boden plaats aan een volgende generatie wierdedorpen, waaronder Groot Maarslag, Mensingeweer, Lutke Saaksum en Eenrum. In de Fivelboezem vormde zich een uitgestrekte kweldervlakte die naar het oosten toe aangroeide, doorsneden door bochtige kreken of maren. Aan de zuidkant ontstonden nieuwe kwelderruggen met de wierdedorpen Huizinge, Stedum en Westeremden.

Het aangevoerde sediment uit de Waddenzee zorgde ervoor dat er langs de Waddenkust telkens nieuwe kwelder- of strandwallen werden gevormd. Door de stijging van de zeespiegel slibden de nieuwere kwelders hoger op dan de oude. Een van de oudste strandwallen loopt van Usquert tot voorbij Uithuizen, de beide volgende reiken tot Uithuizermeeden, een vierde tot Roodeschool. In de luwte van deze strandwallen ontstond een zeeboezemvlakte, die vanaf de dertiende eeuw werd bedijkt. Ook aan de westzijde van het Hogeland vormde zich een volgende generatie kwelderwallen, die het oude land afschermde en de monding van de Hunze verder afsloot. De kwelderwal van Pieterburen en Westernieland dateert vermoedelijk uit de elfde of twaalfde eeuw.

Vroegste bewoning

Pas toen de kwelders vanaf de zesde eeuw vóór Chr. hoger opgeslibd raakten, werd het kleigebied geschikt voor menselijke bewoning. Het eerste gebruik was vermoedelijk seizoensgebonden. Boeren uit de Drentse zandgebieden trokken ‘s zomers naar de kust om hun vee te laten grazen. Andere nieuwkomers vestigden zich permanent. Aan de Boerdamsterweg ten zuiden van Middelstum zijn omstreeks 1970 de resten van een vlaknederzetting uit deze periode gevonden. Behalve woonhuizen en graanspiekers legden de archeologen enkele veekralen bloot. Kennelijk ging het om een verzamelplaats, waar producten uit de wijde omgeving bijeen werden gebracht. Aardewerkvondsten suggereren dat de bewoners van deze nederzetting uit de mondingsgebieden van Eems, Jade en Wezer afkomstig waren. Hun voorbeeld vond al snel navolging.

De nieuwe woonplaatsen werden geleidelijk opgehoogd met mest, graszoden en afval; de afzonderlijke huispodia groeiden op den duur aaneen. Zo ontstonden wierden of terpen. De oudste daarvan dateren uit de vierde eeuw vóór Chr. Rond het begin van de jaartelling werd ook het laagland achter de kwelderwallen in gebruik genomen, zoals aardewerkvondsten uit Onderdendam, Stitswerd en Warffum-Zuiderhorn laten zien.

Wierden en dijken (500-1500)

Omstreeks de vierde eeuw na Chr. verslechterde de situatie door oorlogen en stormvloeden. De zee werd actiever, het achterland moerassiger en veel nederzettingen werden verlaten. Twee eeuwen later groeide de bevolking weer en werden nieuwe dorpen gesticht op de jongere kwelder- en strandwallen. Vermoedelijk vanaf de achtste eeuw werd ook het laagland achter de kwelderruggen opnieuw in gebruik genomen. Namen als Stitswerderwold en Roodewolt (bij Onderdendam) suggereren dat het ging om een ontginningsgebied dat aansloot bij de veenmoerassen van de Centrale Woldstreek. De typerende strokenverkaveling ontbrak hier echter.

De vorm van de nederzetting was vermoedelijk mede afhankelijk van de gesteldheid van het terrein en de beschikbare ruimte. Op de oudste kwelderruggen vinden we vooral ronde wierden met een radiale verkaveling, zoals Groot Maarslag, Baflo, Rasquert, Oldörp (bij Uithuizen), Kantens, Toornwerd, Middelstum en Westerwijtwerd. Op andere plekken vinden we eerder rechthoekige dorpen met een min of meer regelmatige blokverkaveling, zoals Warffum, Usquert, Tinallinge, Eenrum en Huizinge. De verdwenen wierde van Lutke Saaksum (bij Baflo) had een langgerekte vorm die kennelijk samenhing met zijn ligging aan het water. In de Delthelaagte waren vooral verspreide boerenerven te vinden.

Ronde dorpswierden kenmerken zich vaak door een rondweg of ossengang, waarlangs de belangrijkste boerderijen waren gesitueerd. De kerk staat – voor zover aanwezig – gewoonlijk in het midden. Zoetwatervijvers of dobben, zoals vroeger in Toornwerd, zorgden voor blus- en drinkwater, dat in het kustgebied vaak schaars was. Op de kwelderwallen bevonden zich aaneengesloten akkercomplexen of valgen met een esachtige verkaveling, zoals rond Warffum.

Met de komst van het christendom in de negende eeuw verrezen de eerste (houten) kerken. Usquert (in het Oosterambt) was aanvankelijk de hoofdplaats van de hele regio; hier zetelde ook de proost, een deftige edelman die de belangen van de bisschop moest verdedigen. De streek rond Baflo (het Halfambt) splitste zich hiervan af. De landgoederen die de Duitse koning in de omgeving van Baflo had verkregen, vormden het centrum van een afzonderlijk decanaat dat ook het Reitdiepgebied omvatte. Daarnaast kregen enkele Duitse kloosters omvangrijk grootgrondbezit in het gebied, vooral in het nieuw ontgonnen laagland achter de oude kwelderwallen. Deze landerijen werden later door plaatselijke kloosters overgenomen.

De meeste wierdedorpen worden al genoemd in de tiende eeuw of eerder. Niet alle dorpsnamen uit de kloosterregisters zijn echter eenduidig te traceren. Vanuit het oude land werden tevens de nieuwe kwelders rond de Hunze en de Fivel in gebruik genomen. Eerst bouwden de bewoners hier hun huizen nog op dorpswierden, zoals Walsweer en Doodstil (bij Zandeweer). Later koos men ervoor de boerderijen en de dorpskerk op afzonderlijke hoogtes te bouwen. Slingerende veedriften en afwateringskanalen verbonden de dochternederzettingen in het Marenland met hun moederdorpen. De dorpen Zandeweer, Eppenhuizen en Startenhuizen dateren uit de elfde of twaalfde eeuw. De boerderijenreeks van Eenrumerstreek, Saaksumhuizen en Den Andel dateert vermoedelijk al uit de vroege middeleeuwen. Archeologische vondsten suggereren dat er ook verder noordwaarts enkele bewoonde plekken waren. Het dorp Uithuizen kan gezien worden als een tussenvorm: de langgerekte dorpswierde is opgebouwd uit een serie verhoogde boerenerven, die samen een lineaire structuur vormen.

Vanaf de elfde eeuw werden er eenvoudige dijken aangelegd. Eerst waren dat lage ringdijkjes, die afzonderlijke delen van het gebied tegen hoogwater beschermden. Maar al vrij snel bouwde men rondom het Hogeland een aaneengesloten zeedijk met kokersluizen of zijlen op de plek waar de kreken hun water op zee loosden. Tegelijkertijd slibden de riviermondingen verder dicht. De Hunze zocht een nieuwe uitweg naar het westen en maakte verbinding met de Lauwerszee. De oude loop werd omstreeks 1200 afgedamd bij Schouwerzijl, waar een nieuw havenplaatsje ontstond. Het water van de Fivel werd naar het oosten geleid, waar het bij Delfzijl in zee stroomde.

De kwelders aan de noordkant werden stapsgewijs bedijkt. Op de nieuwgevormde kwelderwallen ontstonden langgerekte dijk- en wegdorpen als Uithuizermeeden, Den Andel, Pieterburen en Westernieland. De kerk van Uithuizermeeden dateert uit de dertiende eeuw; de bebouwing concentreerde zich langs een dwarsdijk, die de oudste zeedijk met een volgende dijklinie verbond. De beide laatste dorpen worden omstreeks 1370 voor het eerst genoemd. Rondom de sluizen die het water van de belangrijkste kanalen naar zee afvoerden, waren kleine zeehaventjes te vinden, zoals Hiddingezijl (bij Westernieland), Oldenzijl en Oosternijezijl (bij Oosternieland). De bewoning concentreerde zich langs dijken en doorgaande wegen.

Door het hoger opslibben van de nieuwe kwelders leverde de waterafvoer uit de Delthelaagte en zijn achterland steeds meer problemen op. Vermoedelijk al in de tiende eeuw werd daarom het Winsumerdiep of Deelstermaar gegraven. Dit was het belangrijkste afwateringskanaal voor de hele streek. Het kanaal – oorspronkelijk Delve of Deel genoemd – was aanvankelijk verbonden met het Damsterdiep en stond zodoende aan twee kanten in open verbinding met de zee. Langs deze scheepvaartroute konden de zeeschepen hun lading lossen; er werden munten geslagen en ook werd er tol geheven. De werking van eb en vloed was nog lang merkbaar, wat aan de slingerende waterloop is te zien. Pas omstreeks de twaalfde eeuw werden de oevers van het Winsumerdiep voorzien van dijken en sluizen; aan het begin van de veertiende eeuw heeft men ook de monding met enkele parallelle sluizen of zijlen afgesloten.

De directe verbinding met het Damsterdiep ging omstreeks de dertiende eeuw verloren. In plaats daarvan werd een nieuw scheepvaartkanaal langs de Wolddijk gegraven, Westerwijtwerder- of Stedumermaar, dat uitkwam in het Lustige Maar – een zijstroompje van de Fivel bij Woltersum. Dit kanaal diende tevens de ontwatering van het laagland achter Stedum. De nieuwe dorpskerk van Westerwijtwerd kreeg een plek langs aan het water, waarna de dorpswierde grotendeels verlaten werd.

Mede naar aanleiding van deze afwateringsproblemen ontstond er in 1231 een oorlog tussen de inwoners van Hunsingo en die van Fivelingo, die hun buren uit Usquert en Uithuizen te hulp schoten. Bij die gelegenheid werd een oude grenssloot die in onbruik was geraakt, opnieuw doorgetrokken in de richting van de zee. Daartegen tekenden de inwoners van Uithuizen bezwaar aan. Mogelijk ging het om de Oude Delthe of – wat eerder voor de hand ligt – het Maarvliet. Langs deze afwateringsloot kon het water uit de omgeving van Stedum en Ten Boer immers sneller naar zee stromen. Ook maakte men ruzie over het eiland Rottumeroog, dat uiteindelijk werd verdeeld tussen het klooster Rottum en het Oldeklooster in de Marne.

Later stagneerde de waterafvoer naar de Waddenkust volledig. De sluis bij Oosternieland voldeed niet meer en werd in 1453 gedempt. Het achterliggende gebied rond Zandeweer en Uithuizen werd vervolgens toegelaten tot het Winsumerzijlvest. Om de uitwatering bij Winsum enigszins te ontlasten bouwde men een tweede sluis bij Schaphalsterzijl. Het water uit eeuwenoude waterlopen als Startenhuistermaar en Meedstermaar, Oude Delthe en Oude Weer stroomde voortaan andere kant op – in de richting van. Onderdendam. Dit dorp vormde een knooppunt van weg- en waterverbindingen. In 1520 werd de Hiddingezijl afgedamd, waardoor de afwatering van de nieuwe polders rond Westernieland afhankelijk werden van de sluis bij Schouwerzijl. De sluisjes bij Warffum en Usquert raakten eveneens in verval.

Vanaf het einde van de twaalfde eeuw werden nieuwe kloosters gesticht, die een toonaangevende rol speelden bij het openbaar bestuur en de waterstaat. In het gebied bevonden zich drie belangrijke kloosters: de benedictijnenabdij van Rottum en de Johannieter commanderijen van Warffum en Kloosterwijtwerd (bij Usquert). Vooral in de Delthelaagte beschikten zij over uitgestrekte landerijen. Ook enkele kloosters uit het achterland toonden belangstelling voor dit laaggelegen weidegebied. In de hele streek waren zeker tien tot vijftien modelboerderijen of voorwerken te vinden, niet alleen in het laagland, ook op de vruchtbare zavelgronden langs de kust. In de zestiende eeuw raakten de kloosters in verval, waarna ze bij de overgang naar het protestantisme in 1594 werden opgeheven.

Net als elders in de Ommelanden speelden de hoofdelingen – de leden van de adel – een toonaangevende rol in het politieke leven. In ieder dorp verrezen vanaf de dertiende eeuw een of meer steenhuizen, waarvan de belangrijkste uitgroeiden tot borgen of kleine kasteeltjes. Op het Hogeland waren er minstens dertig. De belangrijkste daarvan was de borg van de familie Ewsum bij Middelstum.

Nieuwe Tijd (1500-1800)

Het Hogeland werd al vroeg een toonaangevend landbouwgebied, dankzij de lichte zavelgronden die bijzonder geschikt waren voor akkerbouw. De zandige kleigrond droogt echter snel uit en slaat bij regen snel dicht. Om het land beter te kunnen ontwateren, werd de grond van de rand van de akkers naar het midden gewerkt, zodat bolronde ‘kruinige percelen’ ontstonden. De lagere gronden werden in smalle ruggen geploegd. De langgerekte veeboerderijen maakten na 1650 geleidelijk plaats voor kop-hals-romp-boerderijen met hoge Friese schuren.

Op de kwelders bij Uithuizen en Uithuizermeeden overwoog de veeteelt. Op de zogenoemde Griedelanden langs de Hooilandseweg vestigden zich in de loop van de zestiende eeuw tientallen gezinnen, die hun boerderijen op een reeks verhogingen bouwden. Hierdoor ontstonden streek- of wegdorpen als Hefswal, Roodeschool en Oosteinde. De Hefswal was oorspronkelijk een zomerkade die de buitendijkse landerijen tegen hoogwater beschermde (‘hef’ is een oud woord voor zee). Kort na 1650 werd een nieuwe zomerkade aangelegd – de latere Middendijk – die het hele buitendijkse gebied van Pieterburen tot Godlinze omringde.

De stormvloeden van 1570, 1686 en 1717 maakten hier veel slachtoffers. Daarbij ontstonden tientallen doorbraakkolken, waarvan enkele nog voorhanden zijn. De oude zeedijk, die slechts anderhalf tot twee meter hoog was, raakte bij de Kerstvloed van 1717 zwaar beschadigd. Na deze vloed werd de Middendijk uitgebouwd tot een echte zeedijk. De oude dijk diende voortaan als slaperdijk.

Het nieuw gewonnen land werd verdeeld volgens het principe van het recht van opstrek. Iedere landeigenaar wiens bezit aan de oude dijk grensde, mocht zijn perceelsgrenzen onbeperkt doortrekken in de richting van de zee. De bewoning concentreerde zich langs de oude dijk, waar een hele serie dijkdorpen ontstond, zoals Dijkstreek en ’t Lage der Weg. Tussen de boerderijen verrezen tientallen kleinere woningen van arbeiders, ambachtslieden en kleine veehouders. Langs de nieuwe dijk werden herdershuisjes gebouwd, terwijl in het buitendijkse gebied drinkwatervijvers of zoetwaterdobben voor het vee werden aangelegd, dikwijls voorzien van een omwalling die het zeewater moest tegenhouden.

Een stelsel van trekvaarten en wegen zorgde ervoor dat de boeren hun producten gemakkelijker naar de stad Groningen konden vervoeren. Het Boterdiep – gegraven vanaf 1659 – vertakte zich vanuit Onderdendam naar Mensingeweer, Warffum en Uithuizen. Het Mensingeweerster Loopdiep zorgde voor een snelle verbinding naar de Marne. In dorpen als Onderdendam, Mensingeweer, Westerwijtwerd en Doodstil concentreerde de bebouwing zich voortaan langs de oevers van deze vaarwegen. Ook het havenplaatsje Schouwerzijl kwam in deze periode tot bloei. Daarentegen kwijnden naburige boerendorpen als Groot en Klein Maarslag en Menkeweer weg, zodat de dorpskerken overbodig werden.

Een nieuw element vormden de buitenplaatsen van de adel en de rijke burgerij. Enkele middeleeuwse borgen werden in de zestiende en zeventiende eeuw uitgebouwd tot herenhuizen, die het aanzien kregen van kleine paleisjes te midden van een uitgestrekt park met singels en waterpartijen.

Moderne Tijd (1800-1950)

Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw stegen de graanprijzen. Daardoor breidde de akkerbouw zich steeds verder uit ten koste van de veeteelt. De boerderijen werden groter en deftiger; de dorpen barstten uit hun voegen vanwege het groeiende aantal arbeiders dat in de landbouw nodig was. Langs de kust ontstonden nieuwe polders met dijkdorpen als Koningsoord en Oudeschip en verspreide boerderijen met karakteristieke namen, zoals Groot-Zeewijk, Noordpool en Kwelderlust. Sommige daarvan zijn gebouwd op huiswierden.

De natuurlijke aanwas zorgde voor een uitbreiding van het kweldergebied. Zodra de gronden hoog genoeg waren opgeslibd, werden ze bedijkt en in cultuur gebracht. Dit proces werd vanaf de achttiende eeuw versneld door de aanleg van strekdammen, sloten en dwarsgreppels. Hierdoor viel de kwelder sneller droog en kon vegetatie zich eerder binden aan de grond. Bij de aanwas gold het recht van opstrek: de boeren waarvan het bezit aan de dijk grensde, konden ook rechten op de kwelder laten gelden. Na een langdurig proces – de zogenoemde ‘Kwelderkwestie’ – zag het Rijk in 1870 af van zijn aanspraken op het buitendijkse gebied. Daardoor kwam de inpoldering volledig voor rekening van de grondeigenaren. Zij onderhielden ook de zeedijk.

In 1935 nam het Rijk het voortouw bij de inpoldering. De oorspronkelijke eigenaren kregen daarbij de gelegenheid een deel van de ingepolderde grond aan te kopen. Werkloze arbeiders werden hier verplicht tewerk gesteld en ondergebracht in barakken. Het voorbeeld haalde men uit Sleeswijk-Holstein. Met behulp van palen en rijshout werden bezinkingsvelden van 400 bij 400 meter gevormd. Daardoor werd de stroomsnelheid verminderd en bleef meer slib in de greppels achter, dat over de akkers werd verspreid. In 1811 werd de Noordpolder drooggelegd; kort daarna volgden de Uithuizerpolder (1827), Oostpolder (1841), Eemspolder (1876), Lauwerpolder (1892), Linthorst Homanpolder (1940) en Emmapolder (1943). Deze polders vormden afzonderlijke waterschappen. De uitwateringssluis van Noordpolderzijl ontwikkelde zich tot een vissershaventje voor garnalenkotters.

Het onderhoud van de dijken werden pas in 1968 overgenomen door het overkoepelende waterschap Ommelanderzeedijk, waarna de dijken drastisch werden verhoogd tot bijna 9 meter boven NAP. De polders verloren hun zelfstandigheid in 1977. De erkenning van de Waddenzee als natuurgebied heeft ertoe geleid dat de landaanwinningswerken zijn gestaakt. De kaden en de greppels zijn nog zichtbaar op de kwelders.

In het achterland werd de waterstand verder verlaagd tot 0.93 meter onder NAP. Dit was mogelijk door de aanleg van het Hunsingokanaal in de jaren 1858 tot 1860 en de bouw van een nieuwe sluis bij Zoutkamp. Dit boezempeil geldt nog steeds. Een groot deel van het Hogeland maakte voortaan gebruik van de nieuwe sluis. Een stelsel van kanalen voerde het water van alle kanten aan. De bestaande zijlvesten gingen samen in het nieuwe boezemwaterschap Hunsingo (1856), dat in 1995 opging in het overkoepelende Noorderzijlvest. Met behulp van drainage werden de landerijen drooggelegd, terwijl ze werden bemest met slik dat vanaf de kwelders werd aangevoerd. De verbeterde bemaling zorgde ervoor dat brakwatermilieu in de sloten in de loop van de twintigste eeuw veranderde in een zoetwateromgeving.

Tientallen wierden werden tussen 1840 en 1940 geheel of gedeeltelijk vergraven. De humusrijke wierdegrond was een uitmuntende meststof die veel geld opbracht. Met schepen werd het zwarte goud naar de Duurswold, het Zuidelijk Westerkwartier en Noord-Drenthe vervoerd. Vrijwel geen enkele wierde bleef ongemoeid.Grotere dorpswierden als Westerwijtwerd, Middelstum, Toornwerd, Rottum, Helwerd, Stitswerd, Rasquert en Maarhuizen kwamen stuk voor stuk onder de schop; hele taartpunten werden weggesneden uit het landschap, resulterend in opvallende steilkanten. Vrijwel geen enkele wierde bleef ongemoeid. Dankzij de inzet van belangstellenden als de arts Rembertus Westerhoff en de herenboer Jan Oost Elema werden veel archeologische vondsten veilig gesteld.

De welvaart van de boerenstand uitte zich in de bouw van statige boerderijen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werden de traditionele kop-hals-rompboerderijen en rentenierswoningen vervangen door eigentijdse villa’s, voorzien van een siertuin in Engelse landschapsstijl. Ook boerderijen van het Oldambtster type deden hun intree.

Net als elders op de klei groeiden de sociale tegenstellingen. De villaboerderijen van de meest succesvolle boeren stonden in scherp contrast met de landarbeidershuisjes in achterafstraatjes en langs de binnendijken. De meeste dorpen ademen de geest van de negentiende eeuw. De dorpskernen bestaan vooral uit voormalige winkels, herbergen en werkplaatsen uit de tijd rond 1900, met boerenrentenierswoningen aan de rand. Usquert ontwikkelde zich tot een renteniersdorp bij uitstek. De nijverheid was nauw verbonden met de landbouw: melkfabriekjes, vlasverwerking en mechanisatiebedrijven. Rond Uithuizen en Zandeweer ontstonden honderden tuinbouwbedrijfjes, waarvan het grootste deel in tweede helft van de twintigste eeuw weer teloorging. In het laatste dorp bevindt zich nog een kassencomplex.

Actuele vraagstukken

In de loop van de twintigste eeuw stagneerde de economische ontwikkeling van de regio. Het werk van de landarbeiders werd overbodig; een deel van de jongeren trok weg; middenstandsbedrijven sloten hun deuren. Ook emigreerden er veel mensen naar de Verenigde Staten of Canada. Als gevolg daarvan is weinig afgebroken of vernieuwd, waardoor de dorpen vaker hun authentieke karakter behielden. Een uitzondering vormde Uithuizen dat zich tot een nieuwe centrumplaats met uitgestrekte nieuwbouwwijken en bedrijventerreinen ontwikkelde.

Na de Tweede Wereldoorlog hebben de mechanisatie en schaalvergroting in de landbouw zich steeds verder doorgezet. De grote boerderijen veranderden in gezinsbedrijven. Behalve tarwe en suikerbieten worden tegenwoordig vooral pootaardappelen geteeld. De zeewind zorgt voor een goed klimaat waarin plantenziekten minder gedijen dan elders. Aan de zuidkant van het gebied overweegt de veeteelt.

In 1959 verscheen het geruchtmakende rapport Bedreigd Bestaan, dat een voorschot nam op de verwachte ontvolking van het gebied. Als antwoord daarop werd tussen 1968 en 1973 de Eemshaven aangelegd, die als een nieuwe economische motor voor de regio zou moeten fungeren. Na een moeizame start zette de verwachte ontwikkeling zich pas rond de eeuwwisseling door. In 1997 werd een gasgestookte elektriciteitscentrale in gebruik genomen; twee kolencentrales zijn in aanbouw. Op de zeedijk werden ruim 130 windturbines gebouwd. Hierdoor kreeg de aanzicht van het gebied een meer industrieel karakter.

Net als elders staat het agrarische cultuurlandschap onder druk. Schaalvergroting is voor veel landbouwbedrijven onvermijdelijk. Ruilverkavelingen en landinrichtingsmaatregelen hebben oude verkavelingspatronen doorbroken en het aanwezige reliëf aangetast. Moderne damwandschuren bepalen in toenemende mate de horizon. Ook vestigen zich hier steeds meer grootschalige melkveehouderijbedrijven. Veel wierden hebben te kampen met erosie ten gevolge van intensieve grondbewerkingsmethoden.

Langs de kust werden nieuwe natuurgebieden aangelegd, zoals de Klutenplas bij Den Andel, die in 1986 ontstond door kleiwinning ten behoeve van het versterken van de zeedijk.

Thema's

Kloosters

De kloosters speelden een grote rol bij het onderhoud van de dijken, de organisatie van de waterstaat en de rechtspraak. Dat gold vooral voor het monnikenklooster Sint Juliana in Rottum. Dit klooster bezat tevens een groot deel van het eiland Rottumeroog, dat zijn naam aan dit klooster ontleende. Op de wierden van Kloosterwijtwerd (bij Usquert) en Warffumerklooster verrezen nonnenkloosters, die behoorden tot de ridderorde van de Johannieters. Ook enkele kloosters van buiten de regio exploiteerden hier grote modelboerderijen of voorwerken, met name in de Delthelaagte. De kloosters raakten in verval ten tijde van de Reformatie. De gebouwen werden na 1594 afgebroken en de landerijen door de overheid in beslag genomen en later verkocht aan adellijke investeerders. De modelboerderijen werden verpacht aan vooraanstaande boeren.

Boerderijen

De oudste boerderijen bevonden zich op de wierden, waar men veilig was voor stormvloeden. Pas een geruime tijd na de bouw van de eerste dijken durfde men ook elders nieuwe boerderijen te bouwen. Doorgaans bevonden die zich op verhoogde erven langs dijken en op kwelderwallen. In de Uithuizerpolder, die in 1827 is ingedijkt, staan de boerderijen nog op huiswierden.

In het gebied komen verschillende typen boerderijen voor. Het oudste type is de zogenoemde kop-hals-romp-boerderij, die vooral geschikt was voor een gemengde bedrijfsvoering. In het lage middengedeelte bevond zich vaak een woonkeuken. Hier vond ook de zuivelbereiding plaats. De grotere akkerbouwbedrijven hadden daarentegen een deftig, overdwars geplaatst voorhuis met een ruime korenzolder. Vaak zien we hier een zuivelbereidingskamer in de schuur. Bij boerderijen van het Oldambtster type bevinden de schuur en het woonhuis zich onder hetzelfde dak, waarbij de gevel naar voren toe inspringt om meer ruimte te laten voor de hoge vensters van het woongedeelte. In tegenstelling tot in het Oldambt bevinden zich geen woonvertrekken in het schuurgedeelte. Het derde type betreft de villaboerderij. Hier staat het huis los van de boerderij. Dit laatste type vinden we vooral bij de grotere akkerbouwbedrijven op de kwelderwallen en in de recentere polders.

Borgen en buitenplaatsen

Net als elders in de Ommelanden speelde de adel – de stand van de hoofdelingen – een belangrijke rol in het politieke leven. In de meeste dorpen hebben één of meer borgen of steenhuizen gestaan, gebouwd in de dertiende of veertiende eeuw. Deze verdedigbare gebouwen hadden vooral een militaire functie. Een deel ervan werd later overbodig. Boerderijnamen als Oldenoord bij Middelstum en Melkema te Huizinge verwijzen naar verdwenen steenhuizen,. De resterende borgen werden in de zestiende en zeventiende eeuw uitgebouwd tot herenhuizen, waarin de resterende adellijke families hun intrek namen.

Het Hogeland telde rond 1600 ongeveer 35 borgen en steenhuizen. Plaatsen als Pieterburen en Zandeweer werden gedomineerd door het landgoed van de dorpsheer, maar ook elders waren deftige herenhuizen te vinden. De contouren van het landgoed van de invloedrijke familie Van Ewsums in Middelstum – met grachten, oprijlanen, geschutstoren en bedrijfsgebouw – zijn nog goed in het landschap herkenbaar. Vanaf het einde van de zeventiende eeuw ging het snel bergafwaarts met de meeste adellijke families. Het merendeel van de landgoederen werden verkocht en naderhand gesloopt. De Menkemaborg in Uithuizen, die in zijn huidige vorm dateert uit de zeventiende en vroege achttiende eeuw, biedt een goed overzicht van de toenmalige elitecultuur. Het park is teruggebracht in de stijl van een baroktuin met een doolhof. Bij Uithuizen zijn verder enkele middeleeuwse steenhuizen opgegraven.

Baksteenindustrie

De zware klei langs het Winsumerdiep en in de Delthelaagte is uitstekend geschikt voor de baksteenfabricage. Terwijl de grovere deeltjes die door de vloed werden meegevoerd terecht kwamen op de kwelderwallen, belandde het fijne materiaal in het lager gelegen achterland. Het hoge ijzergehalte van de bodem, ontstaan door de toevloed van veenwater uit de Woldstreken, staat garant voor de typische rode kleur. Als brandstof diende turf uit de Veenkoloniën en het Westerkwartier. De eerste stenen werden gebakken in veldovens en gebruikt voor de bouw van kerken en borgen. Vanaf de zestiende eeuw kwamen grotere steenfabrieken of tichelwerken in zwang.

De negentiende en vroege twintigste eeuw vormden een bloeitijd voor de Groningse baksteenindustrie. Grote oppervlakten klei werden afgegraven en verwerkt tot baksteen, dakpannen en draineerbuizen. Ondanks de invoering van nieuwe technieken slaagden de fabrikanten er niet in de buitenlandse concurrentie voor te blijven. Langs het Winsumerdiep en bij Rottum zijn nog enkele restanten van deze steenfabrieken te vinden.

Literatuur

Bielevelt, I. et al., Verborgen terreinen: inventarisatie voormalige borgterreinen in de gemeenten: Bedum, Ten Boer, Loppersum, Appingedam, Delfzijl, Eemsmond, Winsum, De Marne, Zuidhorn. Groningen, 2003

Bierema, T., J. de Boer en R. van der Tuuk (red.), Boerderijen op het Hogeland. Oudeschip, 2001

Boer, E. de, T. Juk & J. Vink (red.), Meij 650: een verzameling van bijzonderheden uit de geschiedenis van Uithuizermeeden. Bedum, 2004

Boerma, G., A.F. Kruizenga en R. van der Tuuk (red.), Boerderijen in het Halfambt.Groningen, 1992

Bolt, A., Geschiedenis van Uithuizen: van de Middeleeuwen tot en met 31 december 1978. Uithuizen, 1982

Bos, C., 200 jaar Lutjebosch: Twee eeuwen boerenbestaan op het Groninger Hogeland. Groningen, 2009

Bosch & Slabbers, Landschapsontwikkelingsplan Noord-Groningen. Den Haag, 2005 http://www.provinciegroningen.nl/fileadmin/user_upload/Documenten/Downloads/brochurelopnoordgroningen.pdf

Bügel, M., et al., Maren in Noord-Groningen: Ideeën en voorbeelden. Groningen: Landschapsbeheer Groningen, 2005 http://www.landschapeemsmond.nl/documents/Maren_in_Noord_Groningen.pdf

Gebiedsvisie Groninger Noordkust: Natuur en historie aan weerskanten van de waddendijk. Midwolda: Stichting Groninger Landschap, 2007 http://www.groningerlandschap.nl/files/pdfs/80174_Gebiedsvisie_Noordkust.pdf

Haartsen, A., en N. Brand, Ontgonnen verleden: Regiobeschrijvingen provincie Groningen, Ede: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Directie Kennis, 2009, pp. 11-30, 61-74 http://nhc.mixxt.com/networks/files/download.54448

Juk, T., Warffum en Breede : sporen uit het rijke verleden van twee kerkdorpen op het Groningse Hoogeland. Warffum, 2006

Kernkwaliteiten Cultuurhistorisch Erfgoed Eemsmond. Groningen: Libau, 2012 http://www.eemsmond.nl/document.php?m=25&fileid=6255&f=8c34c064a7d65ad29a36495ffa73cad0&attachment=1&a=75(zeer informatief!)

Knol, E., et al., Boerderijenboek Middelstum-Kantens met bijdragen tot de plattelandsgeschiedenis en een beschrijving van de boerderijen en hun bewoners.Kantens, 2010

Knottnerus, O.S., Fivelboezem: De erfenis van een verdwenen rivier. Bedum, 2005 (Archeologie in Groningen, dl. 2)

Kooi, P., ‘Leven langs de Fivel, van Helwerd tot Zwart Lap’, in: M. Bierma, A. Clason, E. Kramer en G. de Langen (red.): Terpen en wierden in het Fries-Groningse kustgebied. Groningen, 1988, pp. 90-92 en 107-116

Melis, K.G., Naar een leefbare regio. Regionale leefbaarheid en identiteiten in Noord-Groningen tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw. Groningen, 2012.

Miedema, M., ‘West-Fivelingo 600 v.C.-1900 n.C.: Archeologische kartering en beschrijving van 2500 jaar bewoning in Midden-Groningen’. In: Palaeohistoria 41/42 (2000), pp. 237-445

Oldenhuis, J.F.,‘Geschiedkundig overzicht Roodeschool e.o.’, in: W.J. Klapwijk et al.,100 jaar Christelijk onderwijs Roodeschool. Groningen 1987

Schroor, M., et al., Het Hoogeland: Hart van de Ommelanden. Geheel herziene druk, Bedum, 2009 (Archeologie in Groningen, dl. 1)

Schroor, M. & J. Meijering (2007), Golden Raand: Landschappen van Groningen. Assen, 2007, pp. 186-195

Vervloet, J.A.J., ‘Bewonings- en ontginningsgeschiedenis’, in: P.C. Kuijer, Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:50.000: Toelichting bij de kaartbladen 3 West Uithuizen en 3 Oost Uithuizen. Wageningen, 1987, pp. 15-25 http://edepot.wur.nl/117840

Vlak, K., en J. Pauw, Warffum: Fietsen door het land van kwelder, wind en wad (Cultuurhistorische routes in Nederland, dl. 44). Amersfoort, 2004

Waterbolk, H. (red.), Concept Erfgoednota Winsum. Groningen: Libau, 2008 http://www.winsum.nl/bestand/erfgoednota_gemeente_winsum_220260

Westerhoff, R., Twee hoofdstukken uit de geschiedenis van ons dijkwezen; met oudheidkundige aanteekeningen, inzonderheid betrekkelijk de provinciën Groningen en Friesland. Groningen, 1864


Organisaties en Links

Stichting Natuur en Landschap Eemsmond http://www.landschapeemsmond.nl/

Openluchtmuseum Het Hoogeland http://www.hethoogeland.com/

Wierde & Dijk: Vereniging voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Groningen http://www.wierde-en-dijk.nl

Geschiedenis van Usquert http://www.usquert.nl/geschiedenis.html

http://www.aardkunde.nl/map/hot/GR3.pdf Gebiedsinformatie Hunze

http://www.aardkunde.nl/map/hot/GR1.pdf Gebiedsinformatie Usquert-Oosteinde

Luursema, B., De steenhuizen Aylbada en Takuma nabij Uithuizen (Gr.):. Een zoektocht naar twee middeleeuwse steenhuizen. Uithuizen, 2008

Syntegra B.V.: vlakdekkend onderzoek Steenhuizen Takuma en Aylbada